Colofon | ContactEN | FR

Op de vlucht in eigen land

Op 4 augustus 1914 luiden de klokken in Handzame. De oorlog is uitgebroken. Op 31 juli hadden alle opgeroepenen hun regimenten moeten vervoegen.

Ik ben Alice Casier, net 16 jaar geworden op 7 juli en tweede oudste dochter van Theophiel en Hermenie Dewilde. Ik heb vier zussen: Germaine 17 jaar, Zoë 14 jaar, Julia 5 jaar en Margaretha 3 jaar. En drie broers: Reniel 13 jaar, Andre 10 jaar en Remi 1 jaar. Niemand in ons gezin moet dus soldaat zijn. Mijn vader heeft een café en houdt van paarden. Samen met mijn oudere zus zorg ik voor mijn broers en zussen want mijn moeder is hoogzwanger. Op 5 augustus om 11 uur ’s avonds wordt Michel Leonard geboren. Het ging evenwel niet goed met mijn kleine broer en hij stief op 28 september, anderhalve maand oud.

Bij ons in de buurt, De Kruisstraat, woonden twee broers en twee zussen van mijn ouders. Het was namelijk zo dat drie zussen Dewilde gehuwd waren met drie broers Casier. Mijn grootouders (ouders van mijn moeder) woonden in het naburig dorp Staden. Op wat later Schuwe Maandag zal heetten, 19 oktober 1914, vielen de Duitsers met bruut geweld Staden binnen. Er werden 16 burgers geëxecuteerd op de wijk Mispelaareik. De mannen waren valselijk beschuldigd dat ze op Duitse soldaten geschoten zouden hebben.

Alice Casier

Foto 1: Alice Casier (foto: Ann Pype www.redstarlinezoeker.be)

Ondanks het vele leed stelde mijn familie het steeds uit om te vertrekken. Veel van onze dorpsgenoten waren gevlucht naar Frankrijk.

Onze dorpen werden een echt soldatendorp aan de frontlinie. Overal werden er soldaten ingekwartierd.

Op een dag kwamen de soldaten binnen bij nonkel Henri en wilden ze hun afwas in zijn café doen. Nonkel Henri en tante Prudence en hun 5 kinderen waren gaan schuilen achter hun woning. De Duitse soldaten vonden hen. Ze moesten allemaal terug in huis komen. Nonkel werd afgetast en zijn geld werd afgepakt. Mijn nicht Celina moest een knoop aan een soldatenjas naaien. Ze vertelde mij later dat ze dit gedaan heeft maar dat ze heel erg bang en verlegen was.

Mijn moeder en tantes wasten voor de soldaten en soms kwamen ze in het café een pint pakken. Bij nonkel Henri lieten ze hun haar knippen of hun baard scheren want hij was een barbier.

Dankzij het café, de hulp van mijn moeder en tantes, het kantwerk van mezelf, mijn zussen en mijn nichten bleven we van de grootste armoede gespaard. Kantklossen was iets dat we voor de oorlog geleerd hadden op school. In de voormiddag hadden we les en in de namiddag leerden de zusters ons kantklossen. De Duitsers waren er erg nieuwsgierig naar en stuurden onze werkjes naar hun familie in Duitsland.

Henri Casier en Prudence Dewilde met hun vijf kinderen

Foto 2: Henri Casier en Prudence Dewilde met hun vijf kinderen (foto: Ann Pype www.redstarlinezoeker.be)

En zo werd het Kerstmis 1914. We vierden het met de bezetter bij onze buurman Aloïs Vandewiele. De kinderen kregen chocolade en al wat goed was en wat we nog nooit gezien hadden. Maar bovenal hoopten we toch dat deze oorlog vlug voorbij zou zijn.

Wat we hoopten gebeurde evenwel niet. Onze regio werd een rust- en herstelplaats voor de soldaten. Al zingend en na een schnaps gedronken te hebben, vertrokken de soldaten naar het front. Ze vochten met bajonetten op het geweer. Als het stil was, konden we de soldaten horen huilen en roepen tot bij ons huis.

In mei van 1915 gingen nonkel Henri en tante Prudence in Staden gaan wonen. Ze vonden er een huis met een geit, een koe en werkmateriaal voor wat nu 37 euro zou zijn. De eigenaar van het huis was een man die wilde vluchten uit Staden. En zo woonden ze op twee plaatsen.

In juni 1915 konden we terug naar school die was ingericht in de kerk van Handzame. Maar we gingen niet naar school. Mijn broers en neven wachtten op de koeien gezien deze overal konden lopen of ze gingen ergens een stukje land bewerken. Het was hier niemandsland. Wij hielpen onze moeder of maakten kantwerkjes of zorgden voor onze nieuwe baby, Albert (°1915).

Maar oorlog is vooral angst, knagende honger en vooral veel verdriet. Op 16 augustus 1915 werd mijn tante Stefanie weduwe met 6 kinderen tussen 14 en 1 jaar oud. Mijn broer Remi zal sterven op driejarige leeftijd en op 27 november 1916 overlijdt de vader van mijn vader, Leo Dewilde. Hij is 89 jaar geworden.

Op 20 juni 1917 werd mijn neef Juliaan Casier gewond aan zijn linkerhand door het ontploffen van een dynamietbuisje. Hij verloor 2 vingers en een duim. Hij werd 4 weken verzorgd in het Lazaret van de Redemptoristen in Roeselare.

Stefanie Dewilde en haar kinderen

Foto 3: Stefanie Dewilde en haar kinderen en bijgevoegde foto’s van haar overleden echtgenoot en zoon, ca. 1917 (foto: Ann Pype www.redstarlinezoeker.be)

Vluchten

Eind juli moeten we verplicht van de Duitsers Handzame en Staden verlaten. Wij vertrekken met 4 gezinnen en onze grootouders maar zonder mijn vader. Hij moet blijven en werken voor de Duitsers. We gingen te voet met onze koe richting Hooglede, via de lange hoek van Torhout naar het centrum. We kregen eten van de Duitsers en konden overnachten in het atelier van de burgemeester van Torhout. We sliepen er op strooi. Ook hier was het totaal niet rustig en toch ging mijn oude opa te voet naar het kapelletje van Wijendaele om er te bidden. Opa is evenwel gestorven in de nacht van 18 september 1917 op de zolder in het strooi. Hij was 82 jaar. Tijdens de tocht naar het kerkhof werden we beschoten en moesten we gaan liggen. Het lijk lieten we achter midden op de straat.

Eind september zijn we vertrokken uit Torhout. We hebben 3 dagen en 3 nachten moeten wachten voor de trein vertrok. Alle mannen moesten achterblijven om te werken voor de Duitsers. Nonkel Henri had zich verstopt in een koffer en tante Prudence ging erop zitten maar hij werd ontdekt. Hij kreeg slaag van de Duitsers en net zoals mijn neef Odiel Casier (°1900) moest hij in Torhout blijven om te werken. De Duitsers zegden dat ze ons naar Aalst of Ninove zouden brengen maar de trein reed uiteindelijk naar Gentbrugge. Daar had burgemeester Maurice Verdonck al op 19 juni 1917 een oproep gedaan om gastvrij vluchtelingen in huis te nemen.

Helaas voor ons was er geen plaats bij familie. Ze brachten ons (700 personen) naar de Vellenfabriek van NV Block. Deze was gelegen tussen de Schelde en de kerstraat. We kregen er niets anders te eten dan raapkolen, bieten, droog brood en soep. Brood bestond uit zaagsel en aardappel- of koolraappoeder en werd bestrooid met kalk in plaats van bloem.

We konden de fabriek niet verlaten maar de grote jongens kropen soms over de poort en liepen naar de bakkerij aan de overkant. Een keer sloegen ze de ramen kapot en pakten het brood mee dat voor het raam lag.

Veel mensen overleden er van de honger en de kou. Op 24 oktober 1917 overleed mijn neef Julius Casier in Het Gesticht. Hij was zo verzwakt dat hij er samen met de oude mensen mocht verblijven. Hij was 12 jaar. Mijn oma, Barbara Sintobin, verbleef er ook en overleed er op 21 november. Ze was 81 jaar.

En of dat nog niet voldoende was, brak er brand uit in de fabriek. Zo moesten we op zoek naar een nieuw onderkomen.

Barbara Sintobin

Foto 4: Barbara Sintobin (foto: Ann Pype www.redstarlinezoeker.be)

Wondelgem

Na 6 weken in deze fabriek verbleven te hebben, vonden we een onderkomen in de Meulestedestraat in Wondelgem. Het waren drie huizen naast elkaar: Tante Prudence en haar kinderen, tante Stefanie en haar kinderen en ik met mijn moeder, broers en zussen. Er waren in die huizen veel weegluizen die in de muren zaten. ’s Nachts verlieten ze hun schuilplaats en vielen ze ons lastig. We konden niet slapen. Dat was niet om uit te houden.

Tante Stefanie ging op zoek naar een ander onderkomen. Gent lag in het etappegebied en voor de bedeling waren we afhankelijk van de voedselcomités. De notabelen van de stad maakten er deel van uit. We kregen een kaart op naam en konden op bepaalde dagen op welbepaalde plaatsen om voeding gaan. Producten als tarwe, maïs, erwten, bonen, rijst, spek, reuze, koffie en cacao werden er bedeeld. En in Gent had je ook soepkeukens waar dagelijks soep kon worden gedronken.

Tante Stefanie kwam bij één van die heren van de voedselbedeling in de stad. Hij had een leegstaand kasteel in Wondelgem en zei dat we daar konden wonen. In dit kasteel met de naam Lummersheim was het zeer goed. Schone zachte bedden zoals we nog nooit gezien hadden en meubelen.

Kasteel Lummersheim te Wondelgem

Foto 5: kasteel Lummersheim te Wondelgem (foto: Ann Pype www.redstarlinezoeker.be)

November 1917 waren we er met mijn moeder Hermenie, tante Prudence, tante Stefanie en elk van hun kinderen tussen 3 en 21 jaar. Het ware negen meisjes en negen jongens. De jongste kinderen liepen school in Wondelgem en maakten er vriendjes. Na de oorlog schreven ze elkaar. De grotere meisjes hielpen in het huishouden of maakten kantwerkjes. We deden de was en lieten alles drogen over de balustrade van het terras. De jongens die geen gevaar liepen om te moeten werken voor de Duitsers, gingen tweemaal per week te voet naar Oost Eeklo om aardappelen. Zes uren stappen. Ze vertrokken ’s morgens vroeg en kwamen laat terug thuis. Onderweg aten ze bij de boeren.

Een postkaartje van Laura aan Julia, 1918

Foto 6: een postkaartje van Laura aan Julia, 1918 (foto: Ann Pype www.redstarlinezoeker.be)

Langs het domein van het kasteel liep de trein. De trein reed er zeer traag en soms lagen er dode paarden op de open wagens. Mijn neef Julien sprong dan op de wagon en sneed mooie stukken vlees uit de bil van het paard. Dan konden we allemaal paardenvlees eten want van de bedeling kregen we maar een bol gemalen vlees per persoon per week.

Op het kasteel werkte ook een hovenier. Hij kweekte groenten voor Dhr. Lummersheim in de stad. Soms kregen wij ook wat verse groenten en samen met het paardenvlees was dat een feestmaaltijd.

Drie zonen van de familie

Foto 7: drie zonen van de familie (foto: Ann Pype www.redstarlinezoeker.be)

Opgeëisten

Maar erger dan de honger was het feit dat we niet wisten waar nonkel Henri was, mijn vader en mijn neef Remi. De ouders van Remi waren ook gevlucht naar Wondelgem en woonden op wandelafstand van het kasteel ter hoogte van het station.

Eduardus Dewilde en Juliana Vandermeersch met hun kinderen

Foto 8: Eduardus Dewilde en Juliana Vandermeersch met hun kinderen, waaronder ook Remi (foto: Ann Pype www.redstarlinezoeker.be)

Mijn neef Odiel was in Torhout kunnen ontsnappen aan de Duitsers en had ons snel gevonden in Wondelgem. Hij was wel zijn paspoort kwijt en moest altijd op zijn hoede zijn voor de Duitsters.

Mijn broer Reniel had een portie geluk gehad bij zijn opeising. Hij stond klaar met pak en zak toen ze hem kwamen ophalen. De ene Duitser vroeg aan mijn moeder waar “Renielde” was waarop de ander Duitser zei “Renielde das ist ein Mädchen”. In de paar seconden van verwarring had mijn moeder door dat ze dit kon oplossen. Ze hield Reniel die achter de deur stond tegen met haar hand en de Duitsers gingen weg zonder mijn broer (zus!) gezien te hebben. Hij is nooit moeten gaan werken voor de bezetter maar net als Odiel moest hij steeds opletten om niet gezien te worden.

Eind 1917 veranderde ons leven. Nonkel Henry en neef Remi Dewilde waren weggelopen van hun werk bij de bezetter. Na lang zoeken en vragen, hadden ze de familie gevonden op het kasteel. Nonkel Henry kon werken in de fabriek van de familie Lummersheim, een teerfabriek in Wondelgem. Hij kreeg één roggebrood per week en een kleine dagvergoeding.

Mijn neef Julien werd opgeëist en kon gelukkig in een zagerij in Gent blijven werken. Hij was nog maar 15 jaar en verdiende 5 mark per dag.

En zo werd het 1918 en kwam ook mijn vader aan in Wondelgem. Ons gezin verliet het kasteel en ging wonen in de Schoolstraat nr 32.

Het gezin Casier, 1918

Foto 9: het gezin Casier, 1918 (foto: Ann Pype www.redstarlinezoeker.be)

Omdat we nu allemaal terug samen waren, lieten we foto’s maken bij fotograaf A. Harry Nevejans, Vierwegenschestraat 18 te Wondelgem.

Bij tante Stefanie overlijdt de kleine Ida op 1 mei 1918. Ze is 5 jaar. Neef Jerome, zoon van tante Stefanie, wordt opgeëist door de Duitsers. Hij heef minder geluk en wordt tewerkgesteld in het grensgebied van België voor de aanleg van een spoorweg. Hij is 16 jaar en leeft in Halluim in mensonwaardige omstandigheden. En of dat nog niet voldoende is, sterft op 30 november 1918 haar zoon en mijn neef Georges Casier. Hij is 9 jaar en overleden ten gevolge van de griep.

Terug op de vlucht

Maar veel tijd om te treuren hadden ze niet. Het kasteel en omgeving werd beschoten en we trokken weg uit Wondelgem. Een tocht met vele gevaren bracht ons in Lovendegem. We konden er verblijven op een boerderij en later in een bakkerij die leeg stond in het dorp.
In de nacht van 10 op 11 november hoorden we opeens niets meer. Het was zo stil als in een graf tot we om 4 uur ’s morgens de mensen hoorden zingen. De oorlog was gedaan.

We waren allen zinneloos van blijdschap en we begonnen samen te dansen en te springen. We waren uitgelaten... We keerden terug naar Kasteel Lummersheim in Wondelgem.

Eindelijk: terug naar huis

Tante Stefanie wou niet langer in het kasteel blijven en vertrok eind november 1918 met de trein via Eeklo en Brugge naar Handzame. Ze kon gaan wonen in een huis van haar schoonbroer.

Op het einde van de maand januari 1919 verliet ons gezin samen met tante Prudence, nonkel Henri en hun kinderen het kasteel. We vertrokken met onze kleren en dekens en wat kleinigheden gebonden op een stootkar die we gekregen hadden. We waren verschillende dagen op weg. De ene trokken de kar en de andere staken ze. We sliepen op straat of in de dijk of bij een boer. Zoals bij de familie Vergote van café “Steenoven” in Wontergem-Tielt.

In Zwevegem stopten we bij de boer waar we onze koe hadden achtergelaten bij de vlucht. Hij had ze verkocht. We kregen geld voor de koe.

Toen we eindelijk thuiskwamen, was ons huis vernield. De pannen waren van het dak. De buitenluiken en deuren vonden we terug.  De eerste nacht sliepen we op de stenen.

Daarna konden we starten met opruimen en herstellen.

We bleven echter niet in Handzame wonen. Nonkel Henri ging met zijn gezin op de Tolhoek wonen in Staden. Een huis dat ze hadden gekocht van Oscar Deceuninck. En mijn ouders huurden een boerderij van de familie Vanheule.

De familie Casier bij de boerderij van de familie Vanheule

Foto 10: de familie Casier bij de boerderij van de familie Vanheule (foto: Ann Pype www.redstarlinezoeker.be)

Ann Pype

Een veel uitgebreider verslag van dit vluchtverhaal kan je lezen op www.redstarlinezoeker.be. Je vindt er ook terug wat er geworden is van elk van de kinderen.

Ik zou heel veel mensen en diensten moeten bedanken die hebben meegeholpen om dit verhaal te kunnen schrijven. Ik vermeld hier in het bijzonder Edmond Crombez en Monique Casier.