Colofon | ContactEN | FR

Het oorlogsdagboek van soldaat Louis Nijs

“Mijn grootoom Louis Nijs (1880-1934) maakte de hele Eerste Wereldoorlog mee als soldaat aan het IJzerfront en beschreef zijn belevenissen uitvoerig. Tijdens zijn verlofperiodes bezocht hij gevluchte familieleden, vrienden en stadsgenoten (Aarschottenaren) in Denny (Schotland), Londen, Parijs, Cahors, La Rochelle. Hij beschrijft die bezoeken uitgebreid: hoe de vluchtelingen leefden, opgevangen werden en hoe ze hem ontvingen.”

Op 4 augustus 1914 staken Duitse troepen de Belgische grens over. Wat volgde, was een gruweltocht vol plunderingen, vele burgerslachtoffers en vernietigingen van eeuwenoud erfgoed. Onder meer de Vlaamse steden Aarschot, Leuven en Dendermonde moesten het ontgelden. Ze werden dan ook terecht 'Martelaarsteden' genoemd. We laten soldaat Louis Nijs zelf aan het woord via een aangrijpend fragment uit zijn dagboek. Hij vertelt dit:

[Augustus-september 1914] Het is zeer droevend geen het minste nieuws meer te vernemen van huis. De droevenste gedachten bestormen mijnen geest, want onheilspellend nieuws verneem ik van vluchtelingen. Aerschot door de Duitschers ingenomen, huizen afgebrand, burgers doodgeschoten en de overigen allen gevlucht, niemand weet nieuws van mijne vrouw of familie. Wat is er van hen geworden? Nu en dan zie ik vluchtelingen van Aerschot. Allen zijn het eens om te zeggen dat bijna heel de stad afgebrand is en honderden burgers doodgeschoten, waaronder vele kennissen, en zelfs mijner beste vrienden.

Aarschot in 1914 (Foto: Online Forum Eerste Wereldoorlog)

Eenige dagen nadien verneem ik dat de Duitschers uit Aerschot verdreven zijn. Mocht het waar zijn, vraag ik mij af. Ja, de dagbladen bevestigen het. Haastig eenen brief geschreven en medegegeven met eenen auto die zegde naar Aerschot te rijden. Geluk van korten duur: slechts eenige dagen is Aerschot bevrijd gebleven. Het wordt terug door de barbaren ingenomen.

Nog niets heb ik sedert van mijne familie vernomen. Eindelijk verneem ik van eenen vluchteling dat mijne vrouw nog in leven is, want hij heeft met haar gesproken en mijn huis, alhoewel geplunderd, is niet afgebrand. Dat is al een grooten troost. Hij zegt mij ook dat het huis mijner zuster gedeeltelijk afgebrand is.

Alle dagen komen hier eene massa vluchtelingen binnen de forten, het is aangrijpend om zien hoe deze menschen op de vlucht gedreven zijn. De eene met volle karrevrachten kleergoed, huisraad enz., vrouw en kinderen daar bovenop, achteraan koeien, geiten en andere dieren. Anderen met kruiwagens, waarop soms 2-3 kleine kinderen in de dikke pakken kleergoed liggen. Nog anderen dragen eenige pakken met de noodigste dingen, de kinderen komen soms nog beladen achterna gesleurd. Al deze menschen zijn neerslachtig en weten als men ze ondervraagd de schrikkelijkste dingen te vertellen, al moord en brand. Sommigen zijn maar half gekleed en kinderen loopen barrevoets aan hunne zijde. Waar gaan die menschen naartoe? Zij weten het zelf niet, binnen eenige dagen terug naar huis, als den oorlog gedaan is. Zullen zij hun huis nog terugvinden? Zij denken het niet, want bij hunne vlucht stond heel de buurt in vuur en vlam. Arme lieden, wat zijt gij te beklagen...

Duitse soldaten in Antwerpen. Terugkeer van de Antwerpse vluchtelingen
(Foto: Facebookgroep Antwerpen in foto en film, vroeger en nu)

Vluchtelingen uit de buurt mijner ouders vertellen mij dat mijnen broeder Edmond, gebonden, en zijne vrouw en klein kind van eenige maanden oud door de Duitschers medegenomen is tot tegen Leuven, waar hij dan is kunnen ontvluchten. Mijne moeder zou ook mee gemoeten hebben, doch ze wilde niet en zegde dat zij zich liever liet doodschieten. Zij is dan mogen thuisblijven.

Met dank aan Edmond Nys