Colofon | ContactEN | FR

Wet op het Nederlanderschap

Met de ‘Wet op het Nederlanderschap’ werd vanaf 1892 het ius sanguinis gevolgd: het afstammingsprincipe, waardoor je als kind van een Nederlandse man of een buitenechtelijk kind van een Nederlandse vrouw automatisch de Nederlandse nationaliteit verwierf. Daarnaast ontvingen genaturaliseerden en niet-Nederlandse vrouwen die met een Nederlandse man trouwden eveneens het Nederlanderschap.

Zag je als kind van een Belgische migrant na 1892 in Nederland het levenslicht, dan kreeg je de nationaliteit van je vader. De patrilineaire afstamming stond daarbij centraal. Kleinkinderen van migranten ontvingen alleen het Nederlanderschap als daarmee kon worden voorkomen dat ze stateloos zouden worden. Dat gold niet voor het nageslacht van bijvoorbeeld Belgische migranten. In 1953 vond er een aanpassing plaats waarmee de Nederlandse nationaliteit met terugwerkende kracht tot 1893 aan de gehele derde generatie werd verleend.

Tabel met de aantallen migranten die in de 19de eeuw in Nederland woonden
(Uit: Herman Obdeijn en Marlou Schrover, Komen en gaan. Immigratie en emigratie in Nederland vanaf 1550 (Amsterdam 2008))

De ‘Wet op het Nederlanderschap’ heeft bijna 100 jaar dienst gedaan. In 1984 werd hij vervangen door de ‘Rijkswet op het Nederlanderschap’, die tot op de dag van vandaag bepaalt aan wie de Nederlandse nationaliteit wordt toegekend. Een belangrijk verschil met de voorgaande periode is het feit dat kinderen van een Belgische vader en een Nederlandse moeder sinds die tijd eveneens het Nederlanderschap kunnen ontvangen. Bij het verwerven van de Nederlandse nationaliteit beperkt de matrilineaire afstamming zich dus niet meer alleen tot buitenechtelijke kinderen.