Colofon | ContactEN | FR

Naturalisatiemogelijkheden en -verplichtingen

Parijs zag met lede ogen aan hoe in het noorden van het land een groep vreemdelingen officieel niet tot haar burgers behoorde, maar wel geboren en getogen was in Frankrijk. Om deze jongeren in te schakelen in het systeem, werd in 1851 de redenering van de code Napoléon omgedraaid. Kinderen van migranten kregen vanaf dat moment sowieso de Franse nationaliteit bij hun meerderjarigheid, tenzij ze die expliciet weigerden. In 1874 werd de procedure bemoeilijkt door de bureaucratische eisen te verzwaren. Toch bleven Belgische migrantenjongeren de nationaliteit van hun voorouders aanhouden, voornamelijk om de dienstplicht te ontduiken. In 1889 was de maat vol. Niet lang na de verplichte vreemdelingenregistratie van 1888 werd een nieuwe nationaliteitswetgeving ingevoerd. Derdegeneratiemigranten werden verplicht Frans; tweedegeneratiemigranten konden nog steeds weigeren maar deden dit opvallend minder dan voorheen. Door de introductie van de vreemdelingentaks en andere discriminerende maatregelen was het aanhouden van de Belgische nationaliteit niet langer aantrekkelijk. Er ontstond een breed gedragen trend om de Franse nationaliteit aan te nemen.

Verplichte vreemdelingenregistratie in 1888
(Foto: Saartje Vanden Borre)

Voor eerstegeneratiemigranten was die naturalisatie niet evident. Zij behoorden immers tot de groep vreemdelingen die niet geboren waren op Frans grondgebied. Om de Franse nationaliteit te verkrijgen, moesten zij hun loyauteit bewijzen. In oorlogstijden kon dit letterlijk door deel te nemen aan de strijd: zo werden heel wat Fransgezinde vreemdelingen na de Frans-Duitse oorlog (1870-1871) beloond voor hun inzet met de Franse nationaliteit. Een dertigtal jaar eerder had ook het regime van de Tweede Republiek (1848-1852) de naturalisatieprocedure versoepeld ter beloning van de vele vreemdelingen binnen haar rangen. Wegens overweldigend succes werden die verruimde naturalisatiemogelijkheden spoedig terug afgeschaft. In plaats daarvan voerde de Tweede Republiek in 1849 een tweeledige naturalisatieprocedure in, bestaande uit een ‘kleine’ en een ‘grote’ naturalisatie. Het vereiste ‘bewijs van loyauteit’ werd vanaf dan financieel begrepen, want voor elke procedure moest een smak geld worden neergeteld.