Colofon | ContactEN | FR

'Kleine' en 'grote' naturalisatie

Met de ‘kleine naturalisatie’ of de admission à domicile kende Parijs aan een individuele vreemdeling een deel van de Franse burgerrechten toe (waaronder het recht zich officieel te vestigen in Frankrijk, vandaar de naam) maar níet de Franse nationaliteit. Burgerschap en nationaliteit waren tot 1889 onderscheiden statuten. De Franse nationaliteit kon men pas verwerven na een wachtperiode van drie tot tien jaar en het doorlopen van een tweede, dure procedure. Deze zogenaamde ‘grote naturalisatie’ was het terrein van de vermogende bourgeoisie, voor wie Frans worden zakelijke en politieke perspectieven bood. De meeste Belgische migranten gingen niet verder dan de eerste procedure. Het tussenstatuut van de admission à domicile bood twee belangrijke zekerheden in het dagelijks leven: vooreerst hoefde men de dienstplicht niet te verrichten, want die was voorbehouden voor wie de Franse nationaliteit bezat. Maar daarnaast kon men ook niet zomaar het land worden uitgewezen, in tegenstelling tot vreemdelingen die enkel over een verblijfsvergunning beschikten. De admission à domicile mag niet worden verward met de déclaration de résidence. De ingewikkelde nationaliteitswetgeving bracht een uitgebreide administratie met zich mee, die kan worden geraadpleegd door geïnteresseerde – en geduldige – onderzoekers.

Register met naturalisaties
(Foto: Saartje Vanden Borre)

De Derde Republiek (1870-1945) maakte in 1889 komaf met de kleine naturalisatie als levenslang tussenstatuut. De naturalisatieprocedure was nog steeds tweeledig, maar wie begon met de ‘kleine naturalisatie’ werd verplicht na zijn wachtperiode ook de procedure van de ‘grote naturalisatie’ te doorlopen. Indien hij dit niet deed, verloor hij het statuut van admis à domicile en werd hij juridisch gezien terug een vreemdeling. Na de Eerste Wereldoorlog werd deze naturalisatiewetgeving enigszins versoepeld om vreemde landbouwers die de bedrijven van gesneuvelde Franse mannen hadden overgenomen, aan het land te binden. De ingeweken Belgische boeren, verspreid ten noorden van Parijs, in Normandië en in de Loirestreek, konden vanaf 1927 reeds na drie jaar verblijf in Frankrijk de Franse nationaliteit aanvragen. Het bood een toekomst voor henzelf en hun kinderen, die zich aanpasten aan de Franse maatschappij.