Colofon | ContactEN | FR

Kiezen is verliezen

Vrijheid, gelijkheid, broederlijkheid: met dit devies sloopte de Franse Revolutie de muren van de traditionele standenmaatschappij. Maar meteen begon ook een nieuwe denkoefening: voor wie golden die kernwaarden? Voor de eigen nationale burgers natuurlijk. Dat waren individuen die waren geboren uit een Franse vader (ius sanguinis). Maar wat te doen met vreemdelingen? Wanneer konden die als nationale burgers worden beschouwd? Vanaf Napoleon was behalve de bloedlijn ook de geboortegrond een bepalende factor in de Franse nationaliteitswetgeving (ius soli). Vreemdelingen werden in twee categorieën ingedeeld: wel en niet geboren in Frankrijk.

Zwart-witfoto van een 'Fransman', een Vlaamse grensarbeider die in Frankrijk gaat werken, rond 1900
(Foto: Amsab-Instituut voor Sociale Geschiedenis)

We beginnen met de groep vreemdelingen die was geboren op Frans grondgebied. In Noord-Frankrijk ging het meestal over zonen en dochters van Belgische migranten die zelf heel weinig uitstaans hadden met België, het land van hun ouders. Sinds het burgerlijk wetboek van Napoleon uit 1804 konden nakomelingen van (mannelijke) vreemdelingen, geboren in Frankrijk, op basis van artikel negen de Franse nationaliteit aanvragen bij hun meerderjarigheid. Maar veel Belgische migrantenjongeren deden dit niet. Zij bleven Belg in Frankrijk en ontliepen zo de zware Franse dienstplicht – een ‘recht’ voorbehouden aan Franse burgers.