Colofon | ContactEN | FR

Een steeds strenger vreemdelingenbeleid

De strenge hand van het Tweede Keizerrijk (1852-1870) slaagde er in de verplichte verblijfsregistraties voor vreemdelingen gedurende een tiental jaar af te dwingen. Maar vanaf de jaren 1860 trok het regime voorzichtig de liberale kaart: handel, goederen, mensen mochten in vrijheid circuleren. De richtlijn van 1851 werd bewust achterwege gelaten, tot frustratie van sommige grensgemeenten die droomden van de tijd toen ze de armlastige vreemdelingen in hun omschrijving tenminste nog bij naam kenden.

"Het socialisme baart de Katholieken schrik"
(Foto: Amsab-Instituut voor Sociale Geschiedenis)

Tijdens de Derde Republiek (1870-1940) groeide de wrevel onder de stemgerechtigde Franse arbeidersbevolking recht evenredig met de economische crisis. Hun woede richtte zich tegen de vreemdelingen: Italianen in het zuiden, maar ook Belgen in het noorden. Die nieuwkomers brachten hun taal, gewoontes en kinderen mee. Ze “pikten Franse jobs in” en bovendien vervulden hun zonen geen dienstplicht, noch in Frankrijk noch in het land van herkomst. Een ontevreden arbeidersmassa was potentieel gevaarlijk – denk maar aan de opkomst van het socialisme – en kon maar beter gesust worden met enkele protectionistische maatregelen. De Franse nationale arbeidsmarkt werd als gevolg hiervan afgeschermd van ‘vreemde concurrentie’, waaronder men zowel goederen als arbeidskrachten begreep.