Colofon | ContactEN | FR

Een nieuwe vreemdelingenwet

In oktober 1888 decreteerde Parijs dat elke vreemdeling bij aankomst in Frankrijk twee weken de tijd had zichzelf en zijn gezin kenbaar te maken bij de lokale autoriteiten. De procedure werd herhaald telkens de vreemdeling zich elders in Frankrijk vestigde. De nieuwkomer betaalde een registratiekost, die in de volksmond al gauw werd omgedoopt tot ‘vreemdelingentaks’. Tot grote ontzetting van duizenden Belgen in Frankrijk werkte het decreet retroactief: ook zij moesten zich melden op het stad- of gemeentehuis, ongeacht de duur van hun vestiging in het land. Deze groep migranten klaagde de nieuwe regeling tevergeefs aan.

In 1893 werd het verstrengde decreet in wet gegoten (de loi du séjour des étrangers). Niet-Franse mannen én vrouwen die woonden en werkten in Frankrijk werden verondersteld zich opnieuw en individueel aan te melden bij de lokale autoriteiten. De registratiekost van de procedure werd ook deze keer op de vreemdelingen verhaald. De wet gold ook voor seizoensarbeiders, maar nog niet voor grensarbeiders. Op deze laatste groep kreeg men pas greep met de algemene invoer van het individuele paspoort in 1917.

Grensarbeiders in Menen op weg naar Frankrijk, jaren 1930
(Foto: Amsab-Instituut voor Sociale Geschiedenis)

Als gevolg van de richtlijnen van 1888 en 1893 bewaren de meeste Franse gemeenten ellenlange lijsten met persoonlijke gegevens van vreemdelingen gevestigd op hun grondgebied. Een samenvatting van die gegevens werd aan de prefectuur gerapporteerd. Deze gaf alles door aan de bevoegde ministeriële instanties.