Colofon | ContactEN | FR

Het onthaal in neutraal Nederland

Nederland was neutraal, maar daarom niet onverschillig. Vanaf augustus 1914 werden verschillende hulpcomités opgericht door particulieren. Het bekendste was het Nederlandsch Comité tot steun aan Belgische en andere slachtoffers (later het Amsterdam Comité). Uiteindelijk zou het Nederlandsch Comité onder leiding van een Centrale Commissie van de overheid komen te staan. Wie familieleden uit het oog verloor, kon bij deze Centrale Commissie aankloppen. In totaal werden 30.338 aanvragen gedaan om 91.783 personen te zoeken. Meer dan een derde daarvan werd teruggevonden.

De gevluchte soldaten mochten niet vrij rondlopen in Nederland. Zij werden naar vluchtoorden gebracht, waar ze het einde van de oorlog afwachtten. Er waren vijf zulke opvangplaatsen voor hen, namelijk in Alkmaar, Amersfoort, Harderwijk, Groningen en Oldebroek. Bij Amersfoort werd ook een kamp voor de families van de militairen gebouwd, namelijk Elisabethdorp. Ook de burgers werden in vluchtoorden ondergebracht in Nunspeet, Ede, Amersfoort, Bergen op Zoom, Roosendaal, Tilburg, Hontenisse, Baarle-Nassau, Amsterdam, Scheveningen, Oldebroek en Veenhuizen. Naar welk kamp een vluchteling ging, was afhankelijk van zijn sociale achtergrond. De overheid verdeelde hen in drie categorieën: de “ongewenste elementen” zoals asocialen, kleine delinquenten en prostituees; de “minder gewenste elementen”, namelijk de arbeiders; en de “fatsoenlijke elementen” ofwel de burgerij. De fatsoenlijke elementen mochten vaak buiten het vluchtoord wonen en bleven gespaard van overheidsbemoeienissen. Vanaf halverwege 1915 kende de Nederlandse overheid ook een bijzonder statuut toe aan vluchtelingen uit hogere klassen die door de oorlog niet meer voor zichzelf konden zorgen, de zogenaamde “pauvres honteux”. Dankzij dit statuut kregen zij een toelage en mochten ook zij buiten het kamp wonen.

Een vluchtelingenkamp aan de Nederlandse grens zorgt voor de eerste opvang van de vluchtelingen, 7-9 oktober 1914 (fotograaf: Jozef Emiel Borrenbergen, foto: FelixArchief)

Het was echter niet gemakkelijk voor Nederland om de Belgen op te vangen. Al op 12 oktober 1914 roept de Nederlandse overheid de hulp in van het Antwerpse stadsbestuur. Dankzij onderhandelingen tussen de Belgische overheid en de Duitse bezetter konden tienduizenden Belgen eind 1914 terug naar huis keren. Andere vluchtelingen kregen de kans om in Groot-Brittannië aan het werk te gaan. Een paar duizend geschoolde werkkrachten lieten de kampen achter zich en staken de Noordzee over. Het gaat hier voornamelijk om dokwerkers, spoorwegarbeiders, metaalbewerkers en mijnwerkers.

Ondanks dat de Belgen vaak afgescheiden van de lokale bevolking leefden, verliep de integratie niet altijd even vlot. De andere gewoonten stootten in Nederland vaak op weerstand. Zeker in strenge calvinistische dorpen werd met argusogen naar de vluchtelingen gekeken. In Gouda wilde men in 1915 de kermis niet laten doorgaan uit vrees voor problemen met de vluchtelingen, die naar Nederlandse normen niet al te zedelijk leefden.