Colofon | ContactEN | FR

Het leven gaat voort

Ongeveer 40.000 Belgen kwamen in de Franse landbouw terecht. Anderen gingen in de oorlogsindustrie werken. Bijna 700 Belgen vonden een plaats bij de Usines Renault in Billancourt bij Parijs. Zij kregen een hoog salaris en stuurden er vaak een deel van naar familie in bezet België.

Onder de vluchtelingen waren ook veel kinderen, die tijdens de oorlog ook nood hadden aan onderwijs. Sinds 19 mei 1914 was er leerplicht voor alle kinderen tussen zes en twaalf jaar, maar naar school gaan was niet vanzelfsprekend tijdens de Eerste Wereldoorlog. Het Belgian Front Relief Fund bracht kinderen die in de gevarenzone bij het front woonden in veiligheid in het buitenland. Eerst werden ze naar het neutrale Zwitserland gestuurd, maar vanaf mei 1915 ook naar Frankrijk. De ongeveer 6.000 Belgische kinderen leefden in 50 schoolkolonies rond Parijs en Rouen en worden de Enfants de l’Yser genoemd.

Les Enfants de l’Yser (Foto: Roger Sinnesael)

Om de scholen op te richten, waren voldoende middelen nodig. Verlaten kloosters en kastelen werden aangewend. De Amerikaanse schrijfster Edith Wharton speelde hier een belangrijke rol. Zij reisde tijdens de oorlog langs de frontlinie en schreef artikels over wat ze zag. Aangegrepen door de leefomstandigheden van de kinderen, richtte ze in april 1915 het Children of Flanders Rescue Committee op. Ze organiseerde allerlei hulpacties en vond via haar artikels steun bij Franse en Amerikaanse lezers.

De Belgen probeerden ook in Frankrijk de draad weer op te nemen. Om zich zo veel mogelijk thuis te voelen, richtten ze zang-, toneel- en sportverenigingen op en openden ze Belgische winkels. Ze gaven eigen kranten en tijdschriften uit, zoals Le XXème Siècle en het vluchtelingenblad Ons Vlaanderen, die zich concentreerden op nieuws van het thuisfront en onder de vluchtelingen.