Colofon | ContactEN | FR

Philomena Vandenbergh: op de vlucht voor 'den Duits'

In 1975 nam de 85-jarige Philomena Vandenbergh (1890-1993) een oude zakagenda uit 1962 en schreef erin neer wat ze meegemaakt had tijdens de Eerste Wereldoorlog.

Philomena Vandenbergh bij de viering van haar honderdste verjaardag

Philomena Vandenbergh bij de viering van haar honderdste verjaardag

Philomena woonde met haar man Henri Vanderhoeght (1885-1962) en eenjarige zoon Charles in Ieper toen de oorlog uitbrak. Ook haar jongste broer Walter (1909-1982) kwam er in oktober 1914 wonen, want hun moeder Bertha Brilmans (1868-1949) vond het veiliger in Ieper. Ze zei tegen Philomena: “Ieper is zo ver, hier zal het nooit oorlog zijn.” Bertha had ook haar waardevolle spullen naar Philomena gebracht, die ze in een stijnen pot in de grond stopte.

Maar Bertha had het mis: enkele dagen later brak de oorlog al uit in Ieper. Philomena vluchtte met de kleine Charles en Walter naar de kelder en wachtte bang het einde van de bombardementen af. De bommen vielen dichtbij haar huis en de Ieperse gevangenis, waar haar man Henri werkte. Na de bombardementen logeerden een veertigtal Franse soldaten in haar huis in de Eduard Fierensstraat. Zij raadden Philomena aan om te vertrekken, want binnen de drie dagen zouden de Duitsers aankomen. Philomena geloofde het niet, en wilde ook haar meubels niet achterlaten. Enkele dagen later vertrokken de Fransen en namen Engelsmannen hun plaats in. Philomena kon zelfs haar keuken niet meer in. Ze aten alles op, ook de confituur, herinnert ze zich.

Philomena Vandenbergh

Philomena Vandenbergh

Wanneer Philomena de stad introk om de schade te bekijken, richtten Duitse soldaten hun wapens op haar en de kinderen. Ze deden haar niets, maar het maakte een grote indruk. De dag erna verhuisde ze naar de gevangenis. Ze kon er in de keuken aan de slag en in de kelder was plaats om te slapen. Door het keukenraam kon ze de Franse, Engelse en Duitse soldaten zien passeren. Ze kon er echter niet lang blijven. Toen ze op een dag naar huis ging met de kinderen om er wat spullen op te halen, viel er een bom op de keuken van het klooster en het plein voor de gevangenis. Het gewelf van de kelder waarin ze sliep scheurde door de inslag.

Vele Ieperlingen vertrokken met treinen richting de kust om per boot naar Engeland te vluchten. Philomena besloot om samen met de zusters en andere personeelsleden van de gevangenis te voet naar Poperinge te gaan. Ze deed de tocht zonder bagage en met Charles in de kinderwagen. Walter wandelde braaf mee, net alsof hij begreep wat er aan de hand was. Onderweg kwamen ze een boerderij tegen, maar ze konden er niets krijgen. Er was zelfs geen vuur waaraan Philomena Charles zou kunnen verwarmen.

Carolus Vandenbergh

Carolus Vandenbergh

Aangekomen in Poperinge werden ze niet al te hartelijk onthaald. De boerin die hen opving was niet vriendelijk, de stad was overbevolkt en het liep er vol Engelse, Franse en Marokkaanse soldaten met hun kanonnen. Philomena besloot verder te trekken naar Abeele, waar ze terecht kon bij een spoorwegarbeider. Het was er klein en vuil, maar ze kon er de kinderen verzorgen en wat spullen kopen. Philomena wilde graag terugkeren naar Ieper, maar alles was afgebrand, ook de Eduard Fierensstraat waar ze woonde. Ze moest dus in Abeele blijven waar haar echtgenoot Henri haar en de kinderen op kwam zoeken. Zijn gezicht had een gele schijn gekregen. Van de schrik, dacht Philomena, maar eigenlijk was hij ziek geworden van het chloorgas dat de Duitsers hadden ingezet. Philomena en Henri huurden met nog twee anderen een kamer en sliepen op de grond. In de straten lag overal modder. De Engelse soldaten konden er niet door met hun zware geschut. De Fransen met hun kleine vrachtwagens en kanonnen wel. Walter verloor zijn schoenen in de modder en Philomena had een verbrande rok en kapot geregende hoed. Ze voelde zich een echte sukkelaar. Philomena’s vader Carolus (1862-1943) en haar broer Adolf (1900-1966) waren reeds naar Engeland gevlucht, maar keerden terug om Philomena en haar gezin op te zoeken. Ze zijn van huis naar huis gegaan. Philomena en Henri besloten om mee naar Engeland te vertrekken, ver weg van de miserie aan het front.

Adolf Vandenbergh op 1 januari 1924

Adolf Vandenbergh op 1 januari 1924

De reis naar Engeland verliep niet zo simpel als gehoopt. Philomena’s vader had papieren gekregen voor de reis en mocht meteen vertrekken, maar tegen Philomena en haar gezin werd gezegd dat zij geen vluchtelingen waren en moesten wachten op een officiële boot. Eindelijk in Engeland aangekomen werden zij goed ontvangen, maar het duurde vele uren eer alle administratie afgerond was. De familie Vandenbergh werd in de villa van een gezin in Colchester ondergebracht. Het Engelse gezin gaf hen brood en maakte voor Philomena een nieuwe rok en hoed. Haar zoon Charles kon in de gezonde buitenlucht leren lopen. Haar zus Leontine (1889-1978) bezocht feestjes, gaf Franse les en kreeg zelf Engelse les bij rijke jongedames en grote boeren. Haar broers Adolf en Hector (1903-1992) gingen naar school in Colchester en Philomena ging werken. Alleen Walter was nog te jong om naar school te gaan. Voor Philomena was het leven in Colchester de hemel op aarde. Alleen voor Henri verliep het niet zo goed. Door de aanval met chloorgas takelde hij verder af en vermagerde hij. Hij wilde werken, maar vond niet meteen werk. Hij ging dan maar grachten kuisen, maar dit was te veel voor zijn zwakke gezondheid.

Leontine Vandenbergh

Leontine Vandenbergh werd na de oorlog onderwijzeres

Om Henri te helpen, schreef Philomena een brief aan haar tante Flore, de zus van haar moeder Bertha. Zij en oom Chatard woonden met hun vijf of zes kinderen in een landhuis in Lapalisse bij Vichy, maar vertoefden vaak in Parijs waar oom Chatard meester-kleermaker was. Zij hielpen Henri, Philomena en hun zoontje Charles aan een kamer in de Avenue de Tourville in Parijs, van waaruit Henri werk kon zoeken. Dat vond hij in de gevangenis, maar net wanneer hij in dienst wilde treden, ontving hij een telegram uit Brussel: hij moest in de gevangenis van Veurne gaan werken.

De treinreis van Parijs naar Veurne duurde drie à vier dagen. Ze werden overal tegengehouden en Charles werd onderweg ziek. Ook Henri zag nog steeds geel van de gasaanval. Toen ze overnachtten in Duinkerke, werden ze opgeschrikt door schoten van de dikke Bertha. De dag erna stapten ze op de trein naar het front, waarin ze twee nachten sliepen. Ook in Veurne verliep het niet van een leien dakje. Alles was kapotgeschoten en er was nergens plaats. Gelukkig bood een surveillant een kamer aan bij zijn moeder, die ook enkele gendarmen kost en inwoon gaf. Maar omdat Henri ziek werd van het eten, zochten ze snel een nieuwe verblijfplaats. Ze konden terecht in een kloostertuin, waar Henri beter werd en Charles rond kon lopen. Alleen moesten ze steeds vluchten voor vliegtuigen die bommen losten. Ze schuilden in een kelder die onder water stond. Philomena herinnert zich nog dat er één man op straat geraakt werd.

'Soepbedeling en bijrantsoen' voor de familie Carolus Vandenbergh

'Soepbedeling en bijrantsoen' voor de familie Carolus Vandenbergh

Het gezin zocht een eigen huisje in Veurne. Ze kochten een stoof, blikken dozen, wat meubels en kregen een petroleum-vuurtje van de zusters. Ze werden bevoorraad door de Fransen en Engelsen. Buiten het gezin en de soldaten waren er niet veel mensen achtergebleven in Veurne. Philomena maakte er een echt thuis van, waar Charles in de tuin kon rondlopen en ze vaak bezoek kreeg van oom Adolf, de broer van haar moeder Bertha. Ze kookte telkens iets lekkers voor hem. Eenmaal kwamen koning Albert en koningin Elisabeth op bezoek. Henri kreeg sigaren en Philomena een speldewerkkussen, wat haar ertoe aanzette om te leren kantwerken. Maar de bombardementen bleven aanhouden, en het gezin moest vluchten naar de gevangenis. Achteraf vertrok Philomena met Charles naar De Moeren, een polderdorpje vlakbij Veurne. Voor een frank per dag mocht ze er in een barak op de grond slapen. De koning kwam er ook, vertelt Philomena. Hij logeerde er soms in de grote boerderij van het dorp.

Maar ook daar konden ze niet blijven. Henri, die zich inmiddels beter voelde, werd opgeroepen om in de nieuwe gevangenis van Watou te werken, in een villa met grote tuin. Ook deze verhuis verliep niet zonder slag of stoot. Onderweg brak een wiel van hun kar af, waardoor ze alles verloren, zelfs hun kachel en porselein. Ze konden overnachten in een Engels kamp, waar ze goed ontvangen werden en de kar herstelden. In Watou konden ze logeren in een voorkamer van een gezin. Op 25 april 1918 namen de Duitsers echter de nabijgelegen Kemmelberg in en beschoten Watou, en bij een bezoek van de Engelse koning George V werd de Grote Markt gebombardeerd. Philomena was er toevallig bij, want ze ging net petroleum halen. De vrouw van de gendarme vluchtte voor dit geweld en nam haar meubelen mee, maar liet voor Philomena een bed, kast, tafel en stoelen staan. Ook het Engelse leger vluchtte. Gelukkig kwam het Franse leger daarna naar Watou, want Philomena meende dat ze het zonder hen niet overleefd zou hebben. Het waren allemaal oudere mannen en ze vroeg hen soms op de koffie. Eenmaal kwamen er ook een Marokkaanse officier en zijn knecht langs, maar Philomena kon hen niets zeggen omdat ze de taal niet sprak. Ze speelde dan maar wat met Charles met de blokken. Er kwamen zelfs mensen door het raam kijken naar de Marokkaanse officier.

Nieuwjaarsbrief van de achtjarige Walter Vandenbergh, Antwerpen, 1 januari 1918

Nieuwjaarsbrief van de achtjarige Walter Vandenbergh, Antwerpen, 1 januari 1918

Na de oorlog zijn Philomena, Henri en Charles naar Leuven verhuisd, waar ze tien jaar woonden. Ze hadden niets meer en woonden eerst bij Henri’s tante. Daarna verhuisden ze naar een gebombardeerd huis zonder ramen. Henri’s tante verhuisde er later ook heen, samen met haar meubels. Philomena beviel er in 1921 van haar tweede zoon René. Door de oorlog was Philomena sterk vermagerd en ongelukkig geworden, maar in Leuven voelde ze zich weer gelukkig. Ze miste enkel haar mooie meubels, die ze in het begin van de oorlog had moeten achterlaten in Ieper. Henri is samen met een aalmoezenier nog eens naar hun oude huis gegaan om de waardevolle spullen die ze begraven hadden op te halen, maar het huis was afgebrand en ze geraakten moeilijk in de tuin. Jaren later wilde het gezin nog eens gaan kijken naar hun oude huis in de Eduard Fierensstraat, maar alles was platgegooid en er was een groot plein in de plaats gekomen.

Dit verhaal maakt onderdeel uit van het familiearchief Vandenbergh van het documentatie- en studiecentrum voor familiegeschiedenis te Merksem en werd bewerkt door Maite De Beukeleer.