Colofon | ContactEN | FR

Nummeringssystemen

Een genealogisch nummeringssysteem wordt gebruikt om de familierelaties overzichtelijk voor te stellen. Men maakt daarbij gebruik van Romeinse en Arabische cijfers, hoofdletters, kleine letters en tekens. Ieder individu heeft een eigen nummer. Welk systeem je best kiest, hangt af van de genealogische werkwijze die je gebruikt (opklimmende of afdalende genealogie) en van je persoonlijke voorkeur. Hieronder worden een aantal veel gebruikte genealogische nummeringssystemen weergegeven:

A. Opklimmende genealogie (beginnend bij jezelf)

Het Kekulé-systeem

De persoon of personen van wie men uitgaat is de proband of kwartierdrager. In het Latijn wordt dit probandus (m) / probanda (v). De proband krijgt nummer 1. De vader krijgt nummer 2, moeder nummer 3, de vader van de vader nummer 4, etc.

Voorbeeld:

[Eerste generatie]
1. Proband

[Tweede generatie]
2. Vader
3. Moeder

[Derde generatie]
4. Vaders vader
5. Vaders moeder
6. Moeders vader
7. Moeders moeder

[Vierde generatie]
8. Vaders vaders vader
9. Vaders vaders moeder
10. Vaders moeders vader
11. Vaders moeders moeder
12. Moeders vaders vader
13. Moeders vaders moeder
14. Moeders moeders vader
15. Moeders moeders moeder

Het nummer van een vader van een persoon is af te leiden door het nummer van de persoon met 2 te vermenigvuldigen. Het nummer van de moeder is 1 hoger dan het nummer van de vader. Met uitzondering van de proband, heeft iedere man een even nummer (twee keer zo veel als het nummer van zijn kind), terwijl iedere vrouw een oneven nummer heeft, namelijk dat van haar man + 1.

Per voorouder wordt het kwartiernummer weergegeven, zijn/haar naam, geboortedatum en plaats, datum en plaats van het huwelijk. Soms volgt daaronder een lijst met kinderen en hun geboortegegevens.

Dit Kekulé-nummeringssysteem wordt ook de Sosa-methode of de Eytzinger-methode genoemd.

B. Afdalende genealogie (beginnend bij de oudst bekende voorouder)

De methode d'Aboville

De methode d’Aboville is een decimaal systeem. De nummering begint met de oudst bekende voorouder. Deze krijgt nummer 1.

Aan elke directe nakomeling wordt dan het nummer van de vader of moeder gegeven, gevolgd door een eigen nummer dat de geboortevolgorde van deze nakomeling weergeeft.

Als er sprake is van meerdere huwelijken, gebruikt men een kleine letter van het alfabet (a voor een eerste huwelijk, b voor een tweede,…) .

Wanneer men het aantal cijfers in een getal ziet, weet men het aantal generaties dat een nakomeling verwijderd is van diens oudst bekende voorouder.

Voorbeeld:

1. Voorouder
          1.1 Kind
                  1.1.1. Kleinkind
                           1.1.1.1. Achterkleinkind
                           1.1.1.2. Achterkleinkind
                  1.1.2. Kleinkind
                           1.1.2.1. Achterkleinkind
         1.2. Kind
                  1.2.1. Kleinkind
                  1.2.2. Kleinkind
                  1.2.3. Kleinkind

Klassiek genealogisch nummeringssysteem

Hierbij krijgen de generaties een Romeins cijfer en de kinderen een Arabisch cijfer.

  • Bij niet verder uitgewerkte takken: de kleinkinderen een hoofdletter met een insprong, de achterkleinkinderen een kleine letter met een dubbele insprong, de achterachterkleinkinderen een dubbele kleine letter en een driedubbele insprong.
  • Bij de kinderen die verder zullen behandeld worden, schrijft men "volgt" en het volgende Romeinse cijfer. Zijn er meerdere kinderen die volgen, dan voeg je bij het Romeinse cijfer ofwel bis, ter enzovoort bij ofwel een cijfer of kleinere letter (bv. V a, V b; V bis, V ter; V1, V2)

Voorbeeld:

[Eerste generatie]
I. Oudste voorouder
         I.1. Kind (volgt)
         I.2. Kind
                  I.2.A. Kleinkind
                           I.2.A.a.a. Achterkleinkind

[Tweede generatie]
II. [Kind I.1.]
         II.1. Kind
                  II.1.A. Kleinkind

Methode de Meurgey de Tupigny

Hij gebruikt voor elke generatie een Romeins cijfer, een Arabisch cijfer voor ieder kind, een hoofdletter met een insprong voor een kleinkind, een kleine letter met een dubbele insprong voor elk achterkleinkind en een punt met driedubbele insprong voor elk achterachterkleinkind. De verschillende takken worden aangeduid door een Romeins cijfer gevolgd door een Arabisch cijfer (bv. IV-1, IV-2, IV-3.)

Voorbeeld:

I Voorouder
         II-1 Kind
                  III-1 Kleinkind
                           IV-1 Achterkleinkind
                           IV-2 Achterkleinkind
                  III-2 Kleinkind
                  III-3 Kleinkind
                  III-4 Kleinkind
         II-2 Kind
                  III-5 Kleinkind
                           IV-3 Achterkleinkind
                           IV-4 Achterkleinkind