Colofon | ContactEN | FR

Genealogisch vocabularium

A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

7ber : september (7 = september (L))
8ber : oktober (8 = octobris (L))
9ber : november (9 = november (L))

A

A.B.C. : ab'c' de la vie (F) : eerste kinderjaren (N)
Aaldingen (Mnl): erfgenamen.
Aalmoesenier : door een stedelijk bestuur aangesteld welgesteld persoon als hoofd van het Armbestuur en tevens oppertoeziener over armen en wezen.
Aam (N) (amen) : oude wijnmaat van 1.552 hl (Amsterdam), ook bier en oliemaat; ama (L); demi muid, mesure de 150 litres (F); das Ohm (D); aum (E).
Aanverwantschap : zwagerschap, bestaat tussen de echtgenoot en al de bloedverwanten van de echtgenote en omgekeerd.
Aanwinning : boedelgemeenschap.
Aartshertog (N) : hertog van hogere rang (N); archiduc (F); der Erzhertog (D); archduke (E); arciduca (It); archiduque (Sp).
Aartshertogin (N) : archiduchesse (F); die Ershertogin (D); archduchess (E); arciduchessa (It); Archiduquesa (Sp).
Aartspriester (N) : voornaamste priester bij een kathedrale kerk (N); archiprêtre (F); der Erzpriester (D); archpriest (E); arciprete (It).
Abbrogatie (N) : intrekking, afschaffing, opheffing der wet (N); abrogatio (L); abrogation (F); Aufhebung (D); repeal, abrogation (E).
Ablactation (F) : spenen, afwennen van de borst (N).
Abornementer (F) :afpalen, afbakenen, uitbakenen, afbakening, jalonnering (N); Abstecken, Absteckung (D); mark out, stake out, peg out (E).
Aborneur (F) : afpaler (N).
Aborschap (Mnl) : aenborenschap (Mnl), aenboortschap (Mnl), familie en eedshulp van familie.
Abortijf (Mnl) : misgeboorte.
Abrye (Mnl) : koppelaarster.
Absolveren (N) : vrijstellen van straf of vervolging, vrijspreken, van aansprakelijkheid ontheffen (N); absolution (F); Freisprechen (D); absolve a person (E).
Absteckelsen (D) : richtstaaf om de rooilijn af te zetten (N).
Abstecklinie (D) : richtlijn (N).
Absteckphahl = absteckplock = absteckstab (D) : piketpaal, jalon.
Abuela (Sp) : grootmoeder, grootje, oude vrouw (N).
Abuelo (Sp) : grootvader, oude man (N).
Abuelos (Sp) : grootouders, voorvaderen, voorouders (N).
Accijns (N) : ad-census (L) : assise (Mnl), belasting op verbruiksgoederen (N); impôt de consommation, droit d'accise, octroi (F); die Akzise, Verbrauchssteuer (D); excise, accise (E).
Achterbaren (Mnl) : achterboren, achterneef, oudzusterling.
Achterboren = achterbaren (Mnl) : achterneef (N).
Achterdeel (Mnl) : nadeel (N), een voordeel en achterdeel".
Achtererve : achterneef; arrièreneveu (F).
Achtererven : latere erfgenamen aan wie een erfenis, na de onmiddellijke erfgenaam, versterven moet.
Achterkint (Mnl) : bloedverwant in de graad van "achtersusterkint".
Achterkintsvrede (Mnl) : een vrede of verzoening tussen twee families tot aan de graad van "achterkint".
Achterkleindochter : dochter van een kleinkind, Urenkelin (D); arrière-petite-fille (F); great-grand-daughter (E).
Achterkleinkind : een kind, dat uit het standpunt van de overgrootouders gezien, achter een kleinkind staat; Urenkel (D); arrière-petit-enfant (F); great-grandchild (E).
Achterkleinzoon : zoon van een kleinkind, Urenkel (D); arrière-petit-fils (F), great-grandson (E).
Achterkroost : kinderen van de kinderen, nazaten; descendance (F); Nachkommen (D); offspring (E)
Achterleen : leen waarvan een leenman leenheer is, leen uit de tweede hand.
Achternaam : familienaam; Familienname (D); nom patronymique (F); secondname, surname, family-name (E).
Achterneef : kleinzoon van iemands broeder of zuster; Grossneffe (D); arrière-neveu, petit-neveu, neveu issu de germain (F); greatnephew (E).
Achterneef (N) : zoon van de neef (N); arrière neveu, le petit neveu, le fils du neveu (F); bisnipote, pronipote, pronepote, figliuol del nepote (It); primo segundo (Sp).
Achternicht : kleindochter van iemands broeder of zuster, één of meer graden verder dan een nicht; Grossnichte (D); arrière-nièce (F); great-niece, second cousin (E).
Achternicht (N) : dochter van de neef (N); arrière nièce, nièce issue de germain (F); prima segunda (Sp).
Achterrechtzweer : achterneef of nicht.
Achtersate (Mnl) : nazaat.
Achterskint (Mnl) : achtersusterkint (Mnl).
Achterskintmaech (Mnl) : achterzusterskind, achterneef.
Achterskintsvrede (Mnl) : zoen, waarbinnen begrepen zijn alle verwanten in de derde graad.
Achtersusterkintmaech (Mnl) : bloedverwant in den graad van achtersusterkint".
Achtersusterlinc (Mnl) : "archtersusterkint".
Achtersusterkintsvrede (Mnl) : zoen waarin de verwanten in de derde graad, in de graad van "achtersusterkint" begrepen zijn.
Achtersusterkind : achterneef.
Adel (Mnl) : edel, edelgeboren, adeldom, edele afkomst; les nobles (F); der Adel (D); nobility (E).
Adelboek : receuil nobiliaire (F), das Adelsbuch (D), peerage (E).
Adelborst (Mnl): jongeling van edele geboorte, jonker, jonker die krijgsdienst verricht, bemanningslid van de vloot.
Adelbrief : lettre de noblesse (F), der Adelsbrief (D), patent of nobility (E).Adelbroeder (Mnl) : broeder uit een wettig huwelijk.
Adelinc (Mnl) : edelman, adellijk persoon.
Adelincschap (Mnl) : adeldom.
Adelkind (Mnl) : kind van edele geboorte, kind uit wettig huwelijk.
Adelsuster (Mnl) : zuster uit een wettig huwelijk.
Adjudicatie (N) : toewijzing, bij openbare verkoop van een roerend et of onroerend goed, aanbesteding, besteding, toekenning (N); adjudicare (L); adjudication (F); zuschlagen, zuweisen, vergeben (D); adjudication (E).
Admortiseren (Mnl) : in de dode hand brengen van goederen.
Adolescentulo (It) : kleine jongen die nauwelijks de kinderjaren is ontwassen (N).
Adonis (N) : zeer schoon, behaagziek jongeling (N); "Adonis (F) dans la mythologie, nom d'un jeune homme célèbre par sa beauté qui fut aimé de Vénus" (F); adonisch (D) : mooi als Adonis (N), adonisieren (D) : adoniseren, mooi maken (N); Adonis (E), adonize (E): zich mooi maken (N).
Adopteren (N) : een kind aannemen (N); adopter; choisir quelqu'un pour fils, le faire entrer dans tous les droits, et dans toutes les obligations d'un véritable fils (F); adoptieren (D); adopt (E); addotare, prender alcuno per suo figliuolo (It); adoptar, adopcion (Sp).
Adoslescentie (N) : jongelingsjaren, jongelingschap, jongemeisjesjaren, jeugd vanaf de puberteitsjaren tot 25 jaar (N); adolescence; l'âge qui succède à l'enfance et qui commence avec les premiers signes de la puberté (F); die Adoleszenz, die Jugend (D); adolescence (E); adolescenza, giovinezza (It); adolescencia (Sp).
Adulte (F) : qui est parvenu à l'adolescence, à l'âge de la raison, l'âge adulte (F): volwassen, volwassene, volwassenschap, volwassenmens (N); Erwachsener (D); adult (E); adulto, adulta, "che è giunto all'adolescenza" (It); adulto, adulta (Sp).
Aene (Mnl) : aen-heere (Mnl); overgrootvader; proavus, avi pater (L).
Aenerven (Mnl) : krachtens erfrecht door erfopvolging op iemand overgaan, zijn eigendom worden, aan iemand als erfgoed ten deel vallen.
Aengeboorte (Mnl) : het op aangeborenschap of bloedverwantschap gegronde recht van voorkeur of naasting bij verkoop van een vast goed.
Aengeboorte (Mnl) : aengeborenschap (Mnl), bloedverwantschap, maagschap, vooral het op die betrekking gegronde recht tot naasting.
Aengeboren (Mnl) : door en met de geboorte verkregen, iemand bij geboorterecht toekomend.
Aenlegger (Mnl) : eiser in rechte.
Aenleggerse (Mnl) : aenlechster (Mnl), eiseres.
Aenslachten (Mnl) : door geslacht of afkomst aangeboren zijn.
Aensoekinge (Mnl) : gerechtelijke aanmaning, sommatie, vordering, eis in rechte.
Aenspreker (Mnl) : eiser in rechte.
Aensterven (Mnl) : in iemands eigendom overgaan door de dood van een ander.
Aenvererven (Mnl) : door erfenis iemands eigendom worden.
Aenversterven (Mnl) : door versterf iemand overgaan, door het sterven van een ander iemands eigendom worden.
Aenvrouwe (Oostmnl) : grootmoeder, anichvrouwe (Mnl).
Afboedelen (Mnl) : uitboedelen, aan een rechthebbende zijn deel uit een boedel uitkeren.
Afdrijf (N) : de afdrijf was het bedrijf van goederen die gelegen waren buiten de gemeente waar de bedrijver woonde. De afdrijver diende de zetting van zijn bedrijf te betalen aan de gemeente waar het goed gelegen was, hij mocht evenwel die som aftrekken (afdrijven) van de belasting door zijn gemeente geheven op de totaliteit van zijn bezit.
Afdriven (Mnl) : verwijderen, verwijderd houden (N).
Afkomeling : afstammeling.
Afkomen, het : nakomelingschap; in het mv.: afstammelingen, nakomelingen.
Afkomende, zie: Afkomen.
Afkomer, zie: Afkomen.
Afkomst : is onbepaalder dan afstamming en wordt meer in algemene zin gebruikt voor het afstammen van iemand. Afkomst kan zowel de ouders en voorouders als het volk in het algemeen, waaruit iemand afstamt, omvatten.
Aflegger (N) : celui qui fait la toilette d'un mort (F); der Leichenbesorger (D); layer out (E).
Aflegging (N) : toilette funèbre (F); Leiche besorgen (D); compose, lay out (E).
Afsetene (Mnl) : noemde men de bedrijver die zijn land op een andere gemeente bewerkte (N).
Afstamming : afkomen van één stam waarbij bloedverwantschap bestaat in nederdalende lijn.
Agamie (N) : ongehuwde staat (N); célibat (F); der ledige Stand, die Ehelosigkeit (D); celibacy, single state (E).
Age (F) : ouderdom, leeftijd, de jaren (N); das Alter (D); age (E); le Bel'âge (F): de jeugd (N); das Jugendalter (D); youth (E). l'âge de raison, l'âge de discrétion: de jaren des onderscheids (N). avoir vu trois âges: drie generaties hebben zien voorbij gaan, op hoge leeftijd zijn (N); im Alter (D); entre deux âges (F) : van middelbare leeftijd (N). Il est d'un certain âge (F) : hij is niet jong meer (N); ein alterer Mann (D).
Agé (F) : oud, bejaard (N); alt (D); old, aged, elderly, advanced in years (E).
Agnat (F) : naaste bloedverwant van vaderszijde, agnaat: zwaardmaag, zijmaag (N); der Agnat, verwandter Väterlicherseits (D); agnate (E).
Agnation (F) : bloedverwantschap in de mannelijke zijlinie (N); Agnatique (F) : betrekking hebbend op verwantschap in de mannelijke zijlinie (N).
Ahnenforschung (D) : afstammingsonderzoek.
Ahnenkultus (D) : vooroudersverering.
Ahnenprobe (D) : bewijs van afstamming door een ononderbroken reeks van voorouders.
Ahnenstolz (D) : adeltrots, trots op adellijke afkomst.
Ahnentafel (D) : genealogische tabel, geslachtstabel.
Ahnenträger (D) : de persoon voor wie de genealogie of "ahnentafel" opgesteld werd.
Ahnherr (D) : Ururgrossvater (D); abavus (L); betovergrootmoeder (N).
Ahnherrin (D) : Ururgrossmutter (D); abavia (L); betovergrootmoeder (N).
Aïeul (F) : "le mot aïeul n'a point composé au dela de ceux de bisaïeul et de trisaïeul; et quand on parle de degrés qui sont au-dessus, on dit quatrième aïeul, cinquième aïeul etc.", grand-père (F); grootvader (N); Grossvater (D); grandfather (E); avolo (It); abuelo (Sp).
Aïeule (F) : grand'mère (F); grootmoeder (N); Grossmutter (D); grandmother (E); avola (It); abuela (Sp).
Aïeuls (F) : grootouders (N); Grosseltern (D); grandparents (E); abuelos (Sp).
Aïeux (F) : on dit aïeux, pour signifier généralement tous ceux de qui on descend, les ancêtres (F); voorouders, voorzaten (N).
Alleutier (F) : propriétaire du sol (F); eigenerfde (N).
Alliance (F) : trouwring (N); der Trauring (D); wedding ring (E).
Allodiale gronden : zijn goederen vrij van feodale verplichtingen.
Aloude adel : noblesse de vieille roche (F); Uradel (D).
Altenteil (D) : lijftocht, beding van levenslange verzorging van degene die een boerengoed enz. overgeeft (N).
Altenteiler (D): lijftochtenaar (N).
Altermutter (D) : overgrootmoeder (N).
Ältermutter = Urahne (D) : overgrootmoeder (N); bisaïeule (F); great-grandmother (E); bisavola (It); bisabuela (Sp).
Ältervater = Urahn (D) : overgrootvader (N); bisaïeul (F); greatgrandfahter (E); bisavolo (It); bisabuelo (Sp).
Ältervater (D) : overgrootvader (N).
Altmutter (D) : grootmoeder (N).
Altvater (D) : grootvader, patriarch, stamvader (N).
Altvordern (D) : voorvaderen, voorouders (N).
Amieschap (Mnl) : Amyschap (Mnl), concubinaat, de toestand van bijzit.
Amortajar (Sp) : een lijk afleggen (N).
Amortizar (Sp) : ammortizzaménto (It): in de dode hand doen overgaan, amortizeren, aflossen, delgen (N).
Amye (Mnl) : Amië (Mnl), vriendin, geliefde, bijzit.
Amys (Mnl) : vriend, minnaar, boel.
Ancêtres (F) : les aïeux, ceux de qui on descend; "il ne se dit guère qu'en parlant de ceux qui sont au dessu du degré de grandpère; il se dit aussi de tous ceux qui ont vécu avant nous" (F); voorouders (N); antenati, maggiori, avoli, progenitori, antecessori, predecessori (It); antepasados, ascendientes, antecesores, abuelos, mayores (Sp).
Anderlinc (Mnl) : achterneef, neef de tweede graad.
Andersweer (Mnl) : achterneef, kind van een volle neef of nicht.
Anen (Mnl) : overgrootvaders. In opklimmende linie volgen: Anen, overanen, oudover-anen, bet-oudoveranen.
Anichhere (Mnl) : grootvader.
Anichvrouwe (Mnl) : grootmoeder.
Antichresis (N) : verpanding van het vruchtgebruik van onroerend goed in plaats van rente (N); antichrèse, abandon des revenus d'une propriété pour les intérêts d'un emprunt (F).
Anulehe of Ringehe (D) : huwen door uitwisseling van ring.
Apostille = apostele (Mnl) : beroepsbrief, kanttekening, naschrift, aanbeveling toegevoegd aan een petitie of memorie; een schriftstuk waarop een apostille is aangebracht of een afzonderlijk stuk dat deze behelst (N); lettre d'appel (F); die Berufungsschrift (D); dagvaarding in beroep (N); notice of appeal (E).
Apostiller (F) : kanttekeningen maken bij een verzoekschrift (N); ajouter en apostille (F); in margine bijvoegen (N).
Apotekers oft medicinael gewichten (volgens de Costuymen van Brussel): een pond medicinaal = 12 oncen; een half pond = 6 oncen; een quart oft vierendeel = 3 oncen; een once = 8 drachmen oft 2 loot; een loot = 4 drachmen oft 1/2 once; een drachmen = 1/2 sifeijn oft 3 scrupelen; een scrupel = 10 granen oft 2 obolen; een obole = 3 siliquen; een silique = 4 greijnen; een greijn oft een aesken = 1 terwe graen; de 24 volkomen terf graenen = 1 scrupel; 3 scrupelen = 1 drachme; 8 drachmen = 1 once; 12 oncen = 1 pond.
Appartenance (F) : aanhorigheid, bijgebouw (N); "appartenances et dépendances" (F) ap- en dependenties (N).
Arcavola (It) : madres del bisavolo (it); betovergrootmoeder, moeder van de overgrootvader (N);trisaïeule, la mère du bisaïeul (F).
Arcavolo (It) : padre del bisavolo (It); trisaïeul, le père du bisaïeul (F); betovergrootvader, vader van de overgrootvader (N).
Archichancelier (F) : aartskanselier (N); der Erzkanzler (D); Lord High Chancellor (E).
Arme (F) : en termes de blason, signes héraldiques, armoiries (F); wapenschild, blazoen (N); arme (It); armas (Sp).
Armer (F) : en temps de blason, armer un écusson, en composer les armes (F); een schild of wapenbord van wapenstukken (meubles héraldiques) voorzien (N).
Armer chevalier (F) : tot ridder slaan (N).
Armes d'une pièce ou d'un tenant de blason, celles qui ne sont parties ni en long ni en larges (F); een noch doorsneden noch gespleten wapenschild (N).
Armes fausses ou armes à enquerre (à enquérir), armes qui ne sont pas selon les règles du blason (F); raddselachtige wapens, foutieve voorstelling van een wapen, bv. : metaal op metaal, kleur op kleur (uitgezonderd purper en vleeskleur) (N).
Armes parlantes (F) ce sont celles qui consistent en un ou plusieurs objets naturels, dont le nom rapelle celui de la personne (F); sprekende wapens zijn deze die betrekking hebben op de familienaam, bv. familie Pot: een pot in hun wapen (N).
Armoiries (F) : certaines marques, propres et héréditaires, à chaque famille, peintes ou figurées sur l'écu et sur la cotte d'armes; le véritable orthographe serait armoierie, qui vient de l'ancien verbe armoier, significant faire guerre et armorier, les armoiries ont été ainsi nommées parce qu'elles se peignaient sur les armes, sur le bouclier ou écu (F); wapen, wapenschild (N); das Wappen (D); escutcheon, armorial bearings (E); arme, insegna, impressa di famiglia o di popolo, stemma, scudo gentilizio (It).
Armorial (F) : qui traite d'armoiries, qui parle d'armoiries, qui contient des armes de famille (F); op de wapenkunde betrekking hebbend (N); wapenkundig, heraldisch (D); heraldic, armorial (E); che tratta, che parla, che re contiene le armi gentilizie della famiglie (It).
Armorie, armorié (F): un écu armorié (F); schild met een wapen er op (N).
Armorier (F) : mettre, peindre ou appliquer des armoiries sur quelque chose (F); wapens aanbrengen (N); far le armi gentilizie (It).
Armoriste (F) : celui qui fait des armoiries, qui sait le blason, qui l'enseigne, qui l'écrit (F); kenner, tekenaar, graveur van geslachtswapens (N); Wappenkundiger, der Heraldiker (D); heraldist, armorist (E); colui che sa l'araldica, scrittore, maestro d'araldica (It).
Arpent (F) : ancienne mesure agraire qui contenait cent perches carrées; mais l'arpent variait beaucoup, parce que la perche variait elle même. Rapport des mesure nouvelles avec les anciennes, anno 1820 : l'arpent ou 100 perches vaut 303 verges et 374 pieds (d'Anvers); la perche ou 100 mètres vaut 3 verges et 16 pieds; le mètre vaut 12 pieds. Le bonnier mesure, à la verge de 20 pieds d'Anvers, vaut l'arpent, 31 perches et 61 mètres; le journal ou 100 verges vaut 32 perches et 90 mètres; la verge ou 20 pieds vaut 32,9017 mètres carrés. L'arpent was een landmaat van een derde tot een halve ha, pondemaat (N).
Arpentage (F) : mesurage des terres par arpents, et, subséquemment par toute mesure agraire (F); het landmeten (N).
Arrière-fief (F) : "fief mouvant d'un autre fief"; achterleen. (N)
Arrière-grand-oncle (F) : broeder van de overgrootvader of overgrootmoeder; vader van de oudoom of oudtante (N).
Arrière-grand'mère (F) : overgrootmoeder (N); die Urgrossmutter (D); great grandmother (E).
Arrière-grand'tante (F) : zuster van de overgrootvader of overgrootmoeder; moeder van de oudoom of oudtante (N).
Arrière-grand-père : overgrootvader (D); der Urgrossvater (D); great grandfather (E).
Arrière-neveu (F) : achterneef (N); les arrière-neveux (F): de naneven, het nageslacht (N); des Grossneffe (D); great nephew, second cousin (E).
Arrière-nièce (F) : achternicht (N); die Grossnichte (D); grand nièce, second cousin (E).
Arrière-petit-neveu (F) : achter achter neef (N).
Arrière-petit-fils (F) : achterkleinzoon (N); der Urenkel (D); great grandson (E).
Arrière-petite-nièce (F) : achter achter nicht (N).
Arrière-petite-fille (F) : achterkleindochter (N); die Urenkelin (D); great grand daughter (E).
Arrière-vassal (F) : arrière-vassaux, vavasseur, vavassal (F) : achterleenman (N); der Afterlehenmann (D); rear vassal (E).
Ascendenten : in opklimmende linie verwanten: pater, avus, proavus, abavus, atavus, tritavus.
Assiette (F) d'un impôt : sa répartition; l'assiette d'une rente, le fond sur lequel elle est établie (F); Grondslag, Grondslagen voor de belasting (N); les assises de l'impôt (F).
Atavisme (N), atavistisch (N) : atavisme (F), atavique "en psychologie, ressemblance avec les aïeux" (F); der Atavismus (D); atavism (E); reversion (E), atavistic (E). Het woord is herkomstig uit het latijnse Atavus, genomen in de algemene betekenis van voorvader. Atavisme bedoelt wet der overerving van lichaamsvormen en verstandshoedanigheden, de gelijkenis op de grootvader is dikwijls merkwaardig.
Atavus : oudovergrootvadersvader of grootvaders overgrootvader.
Avetronc (Mnl) : onecht kind.
Avola = nonna (It) : madres del padre o della madre (It); grootmoeder, moeder van de vader of van de moeder (N); aïeul, grand'mère (F).
Avolo = nonno (It) : padre del padre, o della madre (It); grootvader, vader van de vader of van de moeder (N); aïeul, grand père (F).

B  

Baanderheer (N) : een edele die het recht had zijn welgeboren mannen onder zijn banier ten strijde te voeren (N); banneret (F); der Bannerherr (D); banneret (E); alsier, vessillifero (It).
Bail d'héritage (F) : "se dit des baux à rente perpétuelle ou à très-long terme"; erfpacht.
Baliu (Mnl) = baeliu = bailliu = baelju = balgu = belio (Mnl) : balivus (L); opperrechter, landvoogd, grafelijk ambtenaar, hofmeester, regent, voogd van minderang, kastelein, slotvoogd, krijgshoofd, opvoeder, baljuw (N); bailli (F); Ammtmann, Vogt (D); bailiff (E).
Baliusbode (Mnl) : de bode van de baljuw, gerechtsbode (N).
Baliuwinne (Mnl) : baljuwsvrouw (N); baillive (F).
Baljuw (N) : ambtenaar, door den landsheer met de rechtspraak in een zekere landstreek belast; rechter in het algemeen, "des duvels baliu" (Mnl); gewetenloos rechter (N). In heerlijkheden met hoger, middelbaar en lager gerecht was een baljuw de rechtstreekse vertegenwoordiger van de heer.
Baljuwschap (N), baliuage, baliuschap, baliuschip (Mnl) : ambt van een baljuw, rechtsgebied van een baljuw verdeeld in schoutambten, bevolking in het rechtsgebied van de baljuw (N); bailliage en (F); die Vogtei (D); bailiwick (E).
Bamis (Mnl) : Sint-Bavo-mis, 1 oktober, dag der betalingen van pacht, huur, cijnsen enz. Het tijdstip was oordeelkundig gekozen: onmiddellijk na het binnen halen van de oogst.
Ban (Mnl) : rechtsgebied, rechtsdicstrict, ambacht (N).
Ban (F) : heirban, oproep tot de krijgsdienst van de weerbare mannen (N).
Ban (F) : service militaire des fiefs et des arrière-fiefs (F); oproep tot de leenmannen en achterleenmannen voor de krijgsdienst (N).
Ban (F) : sentence qui exclut, et, particulier, bannissement; le ban qui a mis l'exilé hors de son pays (F); verbanning (N); rompre son ban: het gebied verlaten, dat een vroegere gevangene aangewezen is; garder son ban: in dat gebied blijven; être en rupture de ban: aangewezen woonplaats verlaten.
Banal (F) : bannum (L): banaliteit (N): se dit des choses desquelles les gens d'une seigneurie étaient obligés de se servir, en payant une redevance au seigneur du fief (F); gedwongen gebruik van een voorwerp toebehorende aan de landheer en waarvoor hij betaling eiste (N). Dritto che ha un signore di obligar i vassalli al suo mulino, al suo forno etc... (It). Moulins banaux (F) : dwangmolens; four banal: banale oven.
Banaliteit (N) : dwangherenrecht (N); banalité (F).
Banc (Mnl) : bank, rechtsgebied, rechtbank, dingbank, vierschaar, schepenbank; in de steden schepenen van de beide rechtscollegien: hoge en lage bank; lagere bank of kleine bank is een ondergeschikt gerechtshof; smallebanc, nederbanc, onderbanc waren waarschijnlijk laatbanken; banc sluiten: de behandeling der rechtzaken opschorten; die banc spannen (Mnl) : recht doen, de rechtbank of schepenbank oproepen om recht te spreken; banc sterk genoech: het, volgens de omstandigheden, vereischte getal schepenen hebbende; volle banc van wette (Mnl): volledige schepenbank (N).
Baren : een kind baren, een kind ter wereld brengen; enfanter, mettre au monde, accoucher de (F); Gebären (D); bear, give birth to (E).
Bastaardbroeder : buiten echt geboren broeder.
Bastaarddochter : buiten echt geboren dochter.
Bearing (E) : wapenbeeld, devies (N).
Belenden (N) : grenzen, palen aan (N); toucher à, être contigu à, être adjacent (F); grenzen an, stossen an (D); border upon, be contiguous to, be adjacent to (E).
Beau fils (F) : fillastre (Oud-F); stiefzoon, schoonzoon, behuwd zoon.
Beau Frère (F) : soroge (oud-F) = Sororius (L); schoonbroeder, zwager.
Beau père (F) : parastre (oud-F), "le second mari de notre mère"; stiefvader, schoonvader, behuwd vader.
Beboesemen (Mnl) : bewijs leveren van verwantschap met iemand.
Bedde (Mnl) : huwelijksbed, huwelijksgemeenschap, ook huwelijk.
Bede (N) : eertijds een aanvraag van de landsheer tot het opbrengen van een geldsom, een soort van belasting (N); aides, don gracieux (F).
Beestsys = bestiaelgelt (Mnl) : een buitengewone belasting op het vee (N).
Belendend (N) : aangrenzend, naast elkander liggend, naburig (N); adjacent, contigu, attenant à; dat grenst aan, vlak naast; en bordure; langs; angrenzend, anstossend (D); adjacent (E); contiguo, adyacente, vecina (Sp).
Belendende aanhorigheden (N) : apen dependentieën, met al wat er toe behoort (N); ad pendere (L): appendentie, aanhangsel (N).
Belendende onderhorigheden (N) : de belendende percelen (N); tenants et aboutissants (F).
Belender (N) : nabuur (N); Angrenzer (D).
Belendinge (Mnl) : belending (N), aangrenzend land of pand, begrenzing, grens, het aan elkander grenzen (N); "les aboutissants d'un champ": de aangrenzende erven (N); adjacency, contiguity (E); contiguïdad (Sp).
Belle-fille (F) : "celle dont on a épousé le père ou la mère"; stiefdochter; Bru (F), femme du fils; schoondochter, behuwd dochter.
Belle-mère (F) : marastre (oud-F), "celle qui a épousé notre père"; stiefmoeder; "celle dont on a épousé le fils ou la fille"; schoonmoeder, behuwd moeder.
Belle-petite-fille (F) : "fille d'un gendre ou d'une bru"; stiefkleindochter.
Belle-soeur (F) : "celle dont on a épousé le frère ou la soeur ou celle qui est la femme de notre frère"; schoonzuster, behuwd zuster; stiefzuster.
Besetman (Mnl) : bij leenverhef is besetman nodig wanneer de verheffende persoon, een minderjarige, een priester, een vrouw zou zijn; iemand dus die niet in staat is aan de heer de diensten bewijzen die met de leenroerigheid verbonden zijn o.a. krijgsdienst.
Bestemoeder : grootmoeder, bestemoer.
Bestevader : grootvader, bestevaar.
Bet-oud-overanen : (meer)-bet-oudovergrootvaders.
Bet-over-grootmoeder : over-oud- grootmoeder, abavia (L).
Bet-over-grootvader : over-oud-grootvader, abavus (L).
Bevolkingsbureau (N) : bureau de l'état civil (F); das Einwohner-meldeamt (D); register office (E).
Bevolkingsregister (N) : register waarin de bewoners van een gemeente, met naam en adres, opgetekend zijn (N); registre de la population, registre de l'état civil (F); Bevölkerungsliste, Einwohnerliste, Bürgerrolle (D); populationregister, register of the population (E).
Bevrijt worden (Mnl) : door de gilde toegelaten worden om vrijelijk een ambacht uit te oefenen (N).
Bidprentje (N) : doodsprentje, doodsantje (N); image pieuse, image de dévotion, image de Sainteté, pieux souvernir (F); Sterbebildchen (D); mortuary card (E).
Bigamie (N) : tweewijverij, dubbel huwelijk (bij het leven van de eerste vrouw of de eerste man); bigamie (F) "action criminelle de l'homme qui a deux femmes vivantes, de la femme qui a deux maris vivants".
Bijzetten : bijgezet worden, begraven worden in een graf, waar ook voorouders of verwanten rusten.
Bilevinge : "haer tocht ende bilevinge heeft" d.i. levenslang vruchtgebruik en levensonderhoud (N), Uit akte Antwerpen (SR 68) 26-5-1464.
Binnenkosten (N) : waren belastingen, nodig om de onkosten van de gemeentebesturen te dekken; eens per jaar mocht de omstelling van de binnenkosten gedaan worden.
Blaseneren (Mnl) : een geslachtswapen uitleggen, blazoeneren: een blazoen beschrijven met de termen van de heraldiek (N); "descriptio ac declaratio clypeariorum armorum" volgens Kiliaen de beschrijving van een wapen; blasonner; expliquer les armoiries dans les termes propres à la science du blason (F); blasonieren (D); blazonment (E); blasonare, divisare, "spiegare co'termini propri dell'arte cose spettanti le arme" (It).
Blasoen (Mnl) : blazoen (N): heraldiek wapen, te weten het wapenschild alleen of het schild met alle daarbij behorende stukken (N); blason, armoirie, assemblage tout ce qui compose l'écu armorial, "le blason est la science des armoiries, et non, ce qui aurait une signification toute différente, la science des armes" (F); das Wappenschild, der Blason (D); blazon (E); blasone, arme (It); blason (Sp).
Blason des couleurs (F) : explication de ce que les couleurs signifient, comme l'argent qui est blanc signifie espérance, pureté, innocence, humilité (F); kleurensymboliek in de heraldiek (N).
Blasonné (F) : expliqué conformément au blason (F); een wapenschild beschreven volgens de wetten van de heraldiek (N).
Blasonnement (F) : action de déchiffrer les armes d'un écu (F); het ontcijferen van de heraldische wapenstukken op een schild aangebracht (N).
Blasonner (F) : peindre les armoiries avec les métaux et les couleurs qui leur appartiennent (F); het schilderen van familieblazoenen (N); blasonieren (D); blazonment (E); blasonare; pinger le armi d'una familiglia, divisare, dipigner l'arme co'metalli, e colori, che le si convengono (It).
Blasonner (F) : se blasonner: être expliqué suivant le blason "les armes de France se blasonnaient ainsi: trois fleurs de lis d'or champ d'azur, deux en chef et une en pointe" (F); beschrijving van wapen bv: een klimmende leeuw van sabel op gouden veld (N).
Blasonner (F) : se dit de certaines lignes et de points qu'on nomme hachures, et que les graveurs font pour représenter les couleurs (F); arceringen gebruikt door de plaatsnijders om de kleuren van een wapen voor te stellen (N); blasonare, contrassegnar i colori pervia di linea "si dice altresi del contrassegnare, i colori, e i metalli stessi con linee, e punti" (It).
Blasonner les armes (F) : les expliquer, déchiffrer, décrire, connaître les armes, graver les armes (F); wapens beschrijven, ontcijferen, graveren (N).
Blasonneur (F) : celui qui blasonne (F); hij die wapens tekent, schildert of graveert (N); blazoner (E); che sa l'arte del blasone (It).
Bloedschender (N) : incestueux, incestueuse (F); Blutschänder (D); incestuous person (E).
Bloedverwant (N) : parent (F); Blutverwandter (D), Verwandter (D); bloodrelation (E), relative (E), kinsman (E).
Bloedverwanten : in afdalende linie: ouders, kinderen, kleinkinderen, achterkleinkinderen, kinderen van de achterkleinkinderen, kleinkinderen van de achterkleinkinderen, achterkleinkinderen van de achterkleinkinderen. In opklimmende linie: ouders, grootouders, overgrootouders, betovergrootouders, ouders van de betovergrootouders, grootouders van de betovergrootouders. In zijlinie: de afstammelingen van broeders- en zusterskinderen. Zij hebben een gemeenschappelijke stamvader.
Bloedverwante (N) : parente (F); Verwandtin (D); kinswoman (E).
Bloedverwantschap (N) : parenté (F); Blutsverwandtschaft (D), die blutsmässige Abstammung (D); bloodrelationship, consanguinity, kinship (E).
Bloedverwantschap : bestaat tussen hen die een gemeenschappelijke stamvader hebben.
Braak (N) : omgeploegd land dat men onbebouwd laat liggen (N); jachère (F) : terre labourable qu'on n'a pas ensemencée pour la laisser reposer (F); ager novalis (L); die Brache (D); fallow (E). Brake, braec (land) (Mnl).
Braakliggend (N) : être en jachère, repos donné à la terre (F); agicessatio, solicessatio (L); Brachliegen (D); lie fallow (E). : Jachère complète (F); braakliggend gedurende een jaargetijde (N).
Braakvruchten (N) : waarschijnlijk kleine tiendvruchten (N); les fruits de jachère (F).
Branche aînée (F) : oudere linie, oudere tak (N).
Broodbidders : (anno 1459) bedelaars; mendiants (F).
Bruidje (N) : bedoeld is een communicantje wiens tooisel geleek op dit van een bruid (N); une première communiante, une petite mariée (F).
Bruidschat : dot (F); Brautschatz, die Mitgift, der Eheschatz (D); dowry, dower, dot (E).
Bruidsjonkers en bruidsmeisjes (N) : service d'honneur (F).
Brumaire (F) : mistmaand (oct-nov)
Buikvaste ingezetenen : personen die een vaste woonplaats hebben in een bepaalde lokaliteit.
Buitenijen (N) : het terrein buiten de stadsmuur, dat tot het stedelijk rechtsgebied behoorde,
Burgerlijk huwelijk (N) : zonder godsdienstplechtigheden huwen (N); se marier civilement, mariage civil (F); die Ziviltrauung, die bürgerliche Ehe, die Zivilehe (D).
Burgerlijke begrafenis (N) : begrafenis zonder kerkelijke plechtigheden (N); enterrement civil (tegenover) obsèques (F); das Begräbnis (D); interment, inhumation, burial, funeral (E).
Burgerrecht (N) : recht uit het burgerschap voortvloeiend (N); droit de bourgeoisie, droit de cité (F); das Bürgerrecht (D); civic (civil) rights, citizenship, freedom of a city (E)

C

Cachereau (F) : "le cachereau est un registre où le chef d'une famille annote ses dépenses et ses recettes" (F); waarschijnlijk een huishoudboek dat men achter slot en grendel bewaarde (N).
Camerlincgelt (Mnl) : hetgeen de nieuwe leenhouder of leenvolger de heer verschuldigd was, wanneer een leen door overeenkomst (wandelcoop) of door overlijden (sterfcoop) in andere handen overging (N).
Candeeldach (Mnl) : de dag die volgt op deze, waarop men een trouwfeest of huwelijksmaal heeft gegeven (N).
Carcan (F) : carcanum (L); halsijzer voor misdadiger (N); collier de fer fixé à un poteau pour y attacher un criminel (F).
Cappuyn (Mnl) : gesneden haan, kapoen. Vaak voorkomend als te betalen cijns.
Carolusgulden : munt vanaf 1521 in gebruik genomen. 20 stuivers = een gulden.
Carta de hidalgia (Sp) : adelsbrief (N).
Castelein = castelain (Mnl) : kastelein, slotvoogd, burchtvoogd, burggraaf (N); castellanus (L) van castellum d.i. kasteel; châtelain, seigneur d'un manoir, qui avait droit de juridiction sur ces vassaux (F).
Casteleine = Casteleinige (Mnl) : kasteleines (N), châtelaine, la maîtresse d'un chateau (F); kasteleinse, vrouw van een kastelein (N), châtelaine, la femme d'un châtelain (F).
Cateile, catel (Mnl) : have, roerende goederen, levende have (vee) (N).
Catel (F) : droit de meilleur catel, droit en vertu duquel les seigneurs, après le décès d'un vassal, prenaient à leur choix le meilleur des meubles du défunt (F); recht van het beste kateil (N).
Cautie (N) : borgtocht, onderpand, "elke handeling, hetzij borgstelling, pandgeving, schuldbekentenis of belofte waarmee men iemand een waarborg geeft tegen mogelijschade". Van het Latijnse cautio = cavere : behoedzaam, voorzichtig zijn.
Cenotaaf : grafmonument ter ere van iemand wiens lijk daar niet aanwezig is. Naar het Grieks kenos = leeg & taphos = graf; cenotaphium (L); cénotaphe (F) "tombeau vide, dressé à un mort dont on n'a pas le corps"; das Zenotaph (D), das Zenotaphium (D), das Kenotaphium (D); cenotaph (E).
Censier (F) : cijnsplichtige, "celui qui tient une cense, ferme".
Census-kiezer : cijnskiezer, stemgerechtigd waren alleen zij die een zekere som grondlasten betaalden; électeur censitaire (F) celui dont le droit est fondé sur un cens", 19de eeuw.
Cerquemaneur (F) : ancien terme signifiant arpenteur juré qu'on appelait pour planter des bornes d'héritage et pour les rasseoir.
Cerquemannage : bornage dans le language des communes des Flandres, Lille, Cambrai, Valenciennes etc... (F) : oude naam voor gezworen lantmeter (N).
Chambre ardente (F) : lit de parade, luminaire nombreux qui brûle autour d'un cercueil (F); rouwkamer (N).
Chambre ardente (F) : tribunal (en France), chargé de juger certains grands crimes, et qui faisait brûler les coupables (F); rechtbank bevoegd tot verwijzing naar de brandstapel (N).
Champart (F) : campi pars (L); cijns betaald onder de vorm van veldvruchten, "une certaine portion des fruits que le seigneur percevait sur l'héritage donné à cens".
Champeage (F) : het recht dieren te laten grazen op vage gronden; droit que quelques communes ont encore de faire paître leurs bestiaux sur des terrains vagues".
Chandeleur (F) : Maria-Lichtmis (N).
Chapelle ardente (F) : "l'appareil funèbre qui environne le corps ou la représentation d'un défunt, soit dans le choeur d'une église, soit dans une chapelle particulière" (F); de door talrijke brandende kaarsen met vurige gloed verlichte kapel, waar het lichaam van de overledene opgebaard staat, rouwkapel (N); catafalco (It).
Chapelle blanche (F) : par plaisanterie, mot qui se dit pour signifier le lit; "elle voulait aller à la messe de minuit, elle l'a entendue dans la chapelle blanche" (F); onvertaalbare ondeugende uitdrukking voor het woord bed (N).
Charterboek : boek waarin de charters van een gebied of een instelling in afschrift of uittreksel zijn bijeenverzameld.
Châtelaine (F) : ketting, lint of band door vrouwen om het lichaam gedragen, en waaraan sleutels e.d. gehangen werden. Châtelaine genoemd omdat burchtvrouwen veelal een dergelijk apparaat plachten te dragen.
Chatellenie (F) : seigneurie et juridiction d'un seigneur châtelain (F); castelrie = casselrie (Mnl), ambt, waardigheid of leen van den kastelein, kasteleny, kasselrij, ook het gebied van de kastelein, burggraafschap (N).
Chetel = cheptel (F) : bail d'un maître avec son fermier losqu'il lui donne un certain nombre de bestiaux pour les nourir et les soigner, avec partage du profit; cheptel à moitié, cheptel où chacune des deux parties fournit le bétail par moitié (F); huurovereenkomst met een vetweider voor het opfokken van vee (N).
Chirurgyn : surgyn (Mnl), chirurgien (F), heelmeester, heelkundige, te weten iemand die uitsluitend bevoegd is in de heelkunst, niet om de geneeskunde in haar geheel uit te oefenen. De maatschappelijke positie van een chirurgijn, meestal tevens barbier, was lager dan die van een geneesheer.
Cijns : recht dat de bezitter van een grond moet betalen aan de cijnsheer; cens (F), "redevance que le possesseur d'une terre payait au seigneur".
Cijnsbaar : met een cijns belastbaar; censivement (F), "avec charge de cens".
Cijnsboek : boek waarin de cijnsplichtigen vermeld zijn, met summiere beschrijving van de goederen waarop de cijns rust; censier (F): "livre où s'enregistraient les cens".
Cijnsgoed : grond waarvoor cijns moet betaald worden; censive (F) "l'étendue des terres d'un fief, qui devaient des cens".
Cijnsgoederen : mogen niet verkocht of in pand gesteld worden, immers hier is degene die de goederen te cijns uitgaf de eigenaar, de cijnsschuldige is de huurder. Evenmin zal hier dus kwestie van hypotheek zijn. Cijns of heerlijke rente staande op gronden van de heer in erfpacht gehouden waren onafkoopbaar.
Cijnsheer : aan wie de cijns verschuldigd is; censier (F): "seigneur censier ou celui à qui le sens était dû".
Cijnsplichtige : hij die de cijns moet betalen; censitaire (F), redevancier (F) "celui qui devrait cens et rente et rente à un seigneur de fief".
Clan (E) : stam, geslacht, sibbe (N).
Clucht (Mnl), Cluft (Mnl) : onderdeel van een geslacht, generatie, lid graad, staak, "voor een hooft ofte cluchte" (anno 1557), "oick onder hen allen voor een hoot ofte cluchte" (anno 1557).
Codicil : codicille (F), is een aanvullende of wijzigende bepaling, aan een uiterste wilsbeschikking toegevoegd.
Collaterale successie : erfenis die op een zijtak overgaat (N).
Collaterale erfgenamen : erfgenamen in de zijlinie (N).
Collateralen : zijdelingse bloedverwanten (N).
Collatie : vergelijking van geschriften met de oorspronkelijke tekst (N); collation : action de confronter une copie avec l'original pour en constater l'exactitude (F).
Communauté : communauté réduite aux acquets (F) : gemeenschap alleenlijk van vrucht en inkomsten (N).
Compere (F) : parrain (F), peet, peter, gevadere (Mnl).
Contersegel (Mnl) : kleine zegel gedrukt op de achterzijde van het grote zegel (N).
Contrahenten (Mnl) : contractanten (N).
Contraheren (Mnl) : contracteren, overeenkomst sluiten (N).
Coormiede = cuermede (Mnl) : opbrengst van het "bestehooft" of "cateil", het beste stuk uit de nalatenschap van een horige, keurmedige", door de heer krachtens zijn recht te kiezen.
Coormietsliede = coormiedge liede = cuermietsliede (Mnl) : personen die verplicht zijn tot "coormiede", daaraan onderworpen (N).
Corvée (F) : journée de travail gratuit que les vassaux devaient leur seigneur (F), "corrogata opera; le travail commandé". Corruweia (Oud F) : "soit déclaré le nom du censeur ou laboureur, de qui on voudra avoir la corvée" (XVI s.); vroondienst (N).
Cousin germain (F) : volle neef.
Cousinage (F) : verwantschap, alle neven en nichten, de familie, verre verwantschap.
Crocque-mort (F) : employé des pompes funèbres, porteur (F); lijkbezorger, aanspreker, lijkbidder, lijkdrager, "kraai" (N).
Cumul (F) : jouissance simultanée de plusieurs emplois ou de plusieurs traitements.
Cumulard (F) : celui qui occupe simultanément plusieurs places rétribuées.
Cumuleren : samenvoegen van verschillende percelen of kavels bij een verkoop (N).
Curateur au mort (F) : autrefois celui que le juge nommait d'office pour défendre un homme accusé de s'être donné la mort (F); aangesteld curator om de belangen van een zelfmoordenaar te verdedigen; destijds was zelfmoord strafbaar. Curateur van geabandonneerden sterfhuysen, beheerder van de verlaten goederen (N).
Curateur au ventre (F) : celui que le conseil de famille nomme pour veiller aux intérêts de l'enfant dont une femme est grosse lors du décès de son mari (F); curator door de familieraad benoemd om te waken over de belangen van het kind waarvan een vrouw groot gaat, bij het afsterven van haar echtgenoot (N).
Curateur (F) : curator, voogd, beheerder bv. van een failliete boedel.

D

Dachmael (Mnl) : dagmaal (N), stuk land, zo groot als in één dag beploegd kan worden, vierde deel van een bunder (N).
Dachmaet (Mnl) : dagmaat (N), het in één dag gemaaide en vervolgens: zoveel land als iemand in één dag kan maaien, t.w. een halve morgen (N).
Dachwant (Mnl) : dagwand (N), zoveel land als ieland in een dag kan wenden, d.i. omploegen kan en vandaar als landmaat: een vierendeel = het vierde van een bunder = 100 roeden.
Daguerreotype (N) : lichtbeeld, methode om door enkele werking van het licht het beeld op een chemisch toebereide metaalplaat over te brengen. De uitvinder van de fotografie L.J.M. Daguerre stierf in 1851. In sommige families bewaart men nog zulke foto's van grootouders of overgrootouders.
Damoiseau (Oud-F) : "jeune gentilhomme qui n'est pas encore reçu chevalier"; edelman die te jong is om ridder te zijn.
Decadentie : décadence (F), verval, ontaarding (van een familie)
Decendentie : descendance (F), afstamming, nakomelingschap, afkomst.
Décimateurs (F) : tiendheffers (N).
Démission de biens (F) : abandon général qu'une personne faisait de ses biens à ses héritiers présomptifs, moyennant certaines charges et conditions (F); afstand van goederen aan de vermoedelijke erfgenamen mits zekere verplichtingen en voorwaarden (N).
Denier : oude munt, 24 mijten = een groot of denier; 12 denieren of groten = een schelling; 20 schellingen = een pond.
Denombrement : een door de leenman (vazal) geschreven opsomming van de landgoederen, cijnsen en andere rechten, die hij houdende is van de leenheer.
Derogeren (N) : afbreuk doen, inbreuk maken, afwijken van de wet (N); derogare (L); déroger (F).
Derogatie (N) : gedeeltelijke opheffing van een wet (N); derogatio (L); dérogation (F).
Descendenten : verwanten in dalende linie: infans, nepotis, pronepotis, abnepotis, atnepotis, trinepotis.
Déshérence (F) : défaut d'héritiers ordinaires, par suite duquel la succession revient à l'état; bij ontstentenis van wettige erfgenamen vervalt de erfenis aan de staat (N).
Dienstmaagd (N) : meid hetzij jong of niet en eventueel weduwe (N).
Dime (F) : la dîme (F); tiend.
Dîmée (F) : tiendrecht, "droit de lever la dîme, avoir la dîmée".
Dîmerie (F) : tiendgebied; "étendue d'un territoire sur lequel on avait droit de dîmer".
Dîmes inféodée (F) : leenroerig gemaakte tiend; "dîme aliénée par l"Eglise et possédée par des laques".
Dirimant (F) : (qui rend nul) empêchement dirimant, empéchement qui emporte la nullité d'un mariage; l'église a fini par déclarer empêchement dirimants de mariage tous les degrés d'affinité (F); ongeldigmakende huwelijksbeletselen zijn deze die de nietigheid van een huwelijk medebrengen; de kerk heeft alle graden van verwantschap als ongeldigmakend huwelijksbeletsel verklaard (N).
Dispositie (N) : beschikking, wilsbeschikking in testament; dispositus (L); disposition (F).
Dochter (N) : filia (L); fille (F); die Tochter (D); daughter (E); figlia, figliuola (It); hija (Sp).
Doodsakte (N) : akte van overlijden (N); acte de décès (F); Sterbeurkunde (D); certificate of death (E).
Doodsbrief (N) : doodsbericht (N); lettre de faire part (F); Todesanzeige (D); mortuaryletter (E).
Doodskaart (N) : biljet met rouwboorden om iemands dood aan te kondigen; tijdens de 19de eeuw van klein en groot formaat (N).
Doodsprentje (N) : doodsantje, rouwsantje, bidprentje (N); pieux souvenir, suffrage (F); Sterbebilchen (D); mortuary card (E).
Doopkind (N) : fileul, fileule (F); das Taufkind (D); god child, godson, goddaughter (E); figlioccio, figlioccia (It); ahijado, ahijada (Sp).
Doopnaam : voornaam (N); nom de baptême, petit nom (F); Taufname, Vorname (D); Christian name (E).
Dot de mariage (F) : bruidschat, huwelijksgift.
Doter (F) : een uitzet - voor een non bv. - schenken.
Douaire (F) : weduwgift, lijftocht.
Douairier (F) : kind dat de erfenis van de vader weigert.
Douariere : titel voor adellijke weduwe, als dan niet genietende van de inkomsten van een douarie.
Douarière (F) : weduwe, die een lijftocht heeft.
Droge min : nourrice sèche (F), kindermeisje.
Droit de déshérence (F) : autrefois le droit de déshérence était celui qui autorisait un seigneur de fief à se mettre en possession des biens vacants d'un mort à qui, le même fief avait appartenu, lorsqu'il ne se présentait point d'héritiers (F); de leenheer bezat het recht de goederen van de leenman in bezit te nemen indien zich, bij diens overlijden geen erfgenaam aanbood (N).
Droit de formariage (F) : droit payé au seigneur pour obtenir la permission d'épouser une personne franche ou appartenante à une autre seigneurie (F); huwelijk buiten het rechtsgebied van de landheer, recht betaald om dat huwelijk aan te gaan (N).
Droit d'aînesse (F) : eerstgeboorterecht (N).
Drossaard (N) : Dapifer (L); drost, baljuw (N); bailli (F); der Drost, Gerichtsherr, Amtmann (D); bailiff (E).
Drossaardschap (N) : de waardigheid, gebied van de drossaard (N); bailliage (F); die Drostei (D).
Drost (N) : benaming voor drossaard, baljuw en schout in N. Nederland; bailli (F); der Drost, Gerichtsherr, Amtmann (D).
Drostin (N) : vrouw van de drost (N); baillive (F).
Duplicque = dupliek (N) : tweede maal dat in een rechtshandeling de gedaagde het woord krijgt (N).

E

Ecu (F) : gouden schild, gouden kroon (N); écu blanc (F) : zilveren schild (N); écu de trois livres (F) : daalder (N); écu de six livres, double écu (F) : zesfrankstuk (N).
Ecu (F) : schild, wapenschild (N); das Wappenschild (D); escutcheon, armorial bearings (E).
Ecuyer (F) : schildknaap.
Ecuyer (F) : schilddrager (N).
Eega : echtgenoot, echtgenote.
Emphyteose (F) : erfpacht; "convention par laquelle un propriétaire cède la jouissance d'un héritage pour un temps très-long, ou même à perpétuité, sous la réserve d'une redevance".
Emphyteote (F) : erfpachter; "celui qui joiuit par bail emphytéotique".
Enkel (D) : kleinkind, kleinzoon.
Enkelin (D) : kleindochter.
Enkelkind (D) : achterkleinkind.
Enkeltochter (D) : achterkleindochter.
Epitaaf : (grieks epi: op en taphos: graf) grafschrift en ook grafzerk; épitaphe (F), Epitaph (D).
Epouse dotale (F) : vrouw die buiten gemeenschap van goederen gehuwd is.
Erfachtich (Mnl) : erfachtig, volgens een erfelijk recht, erfelijk (N).
Erfachtigheid (N) : (erfdeel aan) vaste goederen, "een vrauwe en vermach huer propre erfachtigheid niet te vercopene, veralieneerne noch belastene tot behoef van eenen derden persoon, zonder expres consent... van hueren man" (Cost. van Gent, A.o 1563)
Erfbrief : stuk dat tot bewijs strekt van eigendomsrecht op vaste goederen.
Erfcijns : cijns op een onroerend goed rustende, waartoe ieder volgend bezitter verplicht is.
Erfclage (Mnl) : aanklacht met betrekking tot een onroerend goed (N).
Erfcommer (Mnl) : erfelijke rente (N).
Erfcoren (Mnl) : erfrente te voldoen in graan (N).
Erfcusten (Mnl) : verbintenis op een erf gevestigd, ook custinge van erven (N).
Erfdeel (N) : wat iemand als zijn deel uit een nalatenschap toekomt of wat hij zodanig ontvangt; bezit dat iemand door erfenis verkregen heeft of verwerft (N).
Erfdeling (N) : deling van een erfenis, "dat op heden ter camere verschenen is ... vertoonende seckere acte van erfdeyling en cessie by maghescheyd".
Erfdienstbaarheid (N) : dienstbaarheid die op een erf rust; erfdienstbaarheid is een last waarmede een erf bezwaard is, tot gebruik en ten nutte van een erf, het welk aan eenen andere eigenaar toebehoort (N).
Erfdrager (N) : iemand die het erf bezit, de naakte eigendom bezit tegenover de tochtenaar die de opbrengst geniet.
Erfedele (N) : degene die de waardigheid van eerste edele als erfelijk recht bekleedt (N).
Erfelijchede (Mnl) : erfelijkheid (N); hérédité (F); die Erblichkeit (D); heredity (E); ereditario (It); herencia (Sp). De eigenschap door vererving overdraagbaar te zijn; erfelijkheid in de onderling vermaagschapte geslachten met betrekking tot het bekleden van bestuursposten, bij voorbeeld: de Brusselse geslachten bezaten het exclusieve recht de stad te besturen (N).
Erffghevinghe : erfpacht "By erffghevinghe mach men constitueren soo vele onquytbaer renten ende grondt chynsen als den erfgever ende erfnemer belieft" (Costuyme van Antwerpen, 2, 422, A.o 1582).
Erfgerechtigde (N) : iemand die recht heeft in een nalatenschap (N).
Erfgever : iemand die tegen erfpacht afstand doet van een vast goed.
Erfhavelijc goet (Mnl) : aangeërfd roerend goed (N).
Erfhavelyc = erhaeflic (Mnl) : aangeërfd roerend goed (N).
Erfhuus (Mnl) : erfhuis, boelhuis, opengevallen boedel (N).
Erfkind : erfzoon, erfdochter.
Erflaet (Mnl) : erfelijk cijsnman (N)
Erflating (N) : het vermaken van enig bezit aan een bepaald erfgenaam; bezit dat men als erfenis aan iemand nalaat (N).
Erfling : erflink, erfgenaam.
Erfmagescheit = erfmaechgescheit (Mnl); erfmagescheidinge (N) : toewijzing van erf aan de verschillende magen van dezelfde erflater; boedelscheiding met betrekking tot grondbezit (N).
Erfmombaer = erfmomboor (Mnl) : voogd door erfrecht, krachtens bloedverwantschap tot de voogdij geroepen (N).
Erfnaam : erfgenaam.
Erfoom : oom van wie men een erfenis verwacht; suikeroom; oncle à succession, oncle à héritage (F),
Erbonkel (D), legacy uncle (E).
Erfpacht : pacht, waarvan de duur niet aan het leven van de pachter gebonden is en die op diens erfgenamen overgaat. Gewoonlijk in toepassing op een pacht voor eeuwig.
Erfpand : pand gevormd door vast goed.
Erfrente : verschuldigde rente, die niet vervalt bij de dood van de trekker; overdraagbare verschuldigde rente.
Erfrogge (Mnl) : hoeveelheid rogge die jaarlijks als cijns of pacht moet worden uitgekeerd (N).
Erfschatter (N) : schatter van vaste goederen, "Schattinghe van huysen, hoven ende andere edificien by den huys- ende erfschatters".
Erfscheder (Mnl) : erfscheider, landmeter, rooimeter, grensbepaler, persoon die de grenzen van een grondbezit vaststelt (N).
Erfscheiding (Mnl) : erfscheiding (N), afpaling van vaste goederen; verdeling van een nalatenschap.
Erfscheitbrief (Mnl) : akte over verdeling van onroerend goed (N).
Erfschot (Mnl) : erfelijke landrente aan de landheer verschuldigd (N).
Erfside (Mnl) : de zijde waarvan een goed aangeërfd is (N).
Erfsoene (Mnl) : een deel van de som, die voor een verslagene (vermoorde) als zoengeld betaald wordt (N).
Erfstelling : de aanwijzing van een erfgenaam of erfgenamen en vervolgens beschikking over een nalatenschap.
Erfstocgoet (Mnl) : erfelijk familiegoed (N).
Erfschot (Mnl) : erfelijke landrenaan de landheer verschuldigd (N).
Erfside (Mnl) : de zijde waarvan een goed aangeërfd is (N).
Erfsoene (Mnl) : een deel van de som, die voor een verslagene (vermoorde) als zoengeld betaald wordt (N).
Erfstelling : de aanwijzing van een erfgenaam of erfgenamen en vervolgens beschikking over een nalatenschap.
Erfstocgoet (Mnl) : erfelijk familiegoed (N).
Erfstuk (N) : voorwerp van enige waarde, dat reeds meer dan één generatie familiebezit is (N).
Erftante : tante van wie men verwacht te zullen erven; suikertante; tante à succession (F), tante à héritage (F), Erbtante (D), legacy aunt (E).
Erfte (Mnl) : geslacht (N).
Erftins (Mnl) : erftijns, vaste uitkering uit een onroerend goed te betalen aan de eigenaar; het goed dat tegen zulk een uitkering wordt uitgegeven heet men erftinsgoet (M).
Erftocht (N) : erfelijk vruchtgebruik, "erf-togt is dewelk met de het leven van den mensch niet is bepaald, maar van den een op den anderen oversterft" (N).
Erfvoogd : erfelijk voogd of bevelhebber.
Erfvorewerde = erfvorewaerd (Mnl) : erfelijke overeenkomst, die niet ophoudt te werken met de dood der contracterende partijen (N).
Erfwagen (Mnl) : het jaarlijks leveren van een bespannen wagen, als leenplicht (N).
Erfwech (Mnl) : erfelijke toegang tot een omsloten stuk land (N).
Erfwissel (Mnl) : ruiling van onroerend goed (N).
Erfwinnige (Mnl) : het verkrijgen van onroerend hofhorig goed; de som bij de verkrijging ervan aan hofheer te betalen (N).
Erfzoen : "Tot deze zoen wierd by magen des handadigen seecker geld opgebracht, 't welck genoemd wierd maeg-geld; ende 't selve geld wierd voor de erfzoene ghenoten by de kinderen des overledens" (De Groot, Inl. III, 32, 7).
Ervesetter (Mnl) : wetgever (N).
Evene = even (Mnl) : zware haver, ruwe haver, rouwe haver (N); avoine (F); der Hafer (D); oats (E). Sommige te betalen cijnsen bestonden in evenen.
Evenknie : bloedverwanten die tot elkander in dezelfde graad van verwantschap staan.
Evenmate (Mnl) : maat voor haver en andere granen (N).
Evenrente, evenschult (Mnl) : schuld of rente in haver uit te betalen (N).
Evenschoof (Mnl) : haverschoof (N). Staat in verband met het betalen van een tiend.
Evensetter (Mnl) : een bepaalde maat voor haver (N).
Examen (Mnl) : onderzoek, verhoor, vooral de pijnbank (N).
Exatiën (Mnl) : belastingen (N).
Excijs = exsijs = exchijns (Mnl).
Excijsmeester (Mnl) : ambtenaar belast met het innen der "excisen" (N).
Excisenaer = exsijsenaer (Mnl) : pachter der accijnsen; ook "exsiser".
Exposer (F) : abandon d'enfant (F); het te vondeling leggen (N); aussetzen (D); expose a child (E).

F

Familie : familia (L) = famulus (L) dienaar, huisbediende, bij uitbreiding: huisgenoten. Heden worden alleen bloedverwanten en aangetrouwden tot de familie gerekend.
Familieraad : bijeenkomst van de leden ener familie tot regeling van gemeenschappelijke of wederzijdse belangen.
Familietrek (N) : gelijkenis van familieleden onder elkander, ook figuurlijk (N); trait de famille, air de famille (F); der Familienzug (D); family likeness (E).
Fausse noblesse : "se disait de l'acquisition des fiefs ou terres nobles par les non-nobles, la possession d'un marquisat ou d'un comté faisant ni un marquis ni un comte" (F); gewaande adel, het kopen van een adellijk leen geeft geen recht op een adellijke titel (N).
Felonie (F) : ontrouw van een leenman tegenover zijn leenheer of ook de leenheer tegenover zijn vazal.
Fermage (F) : pacht, pachtsom, landpacht, grondpacht, huur.
Fief (F) : leen.
Floréal (F) : bloeimaand (apr-mei)
Folle enchère : enchère trop haute, et qu'on ne peut pas payer; ce qui force à une nouvelle enchère dont la différence et les frais sont à la charge de celui qui a fait la folle enchère; le dédit (F); bod, dat men niet kan betalen, waarvan men bij rouwkoop het verschil en de kosten moet vergoeden (N).
Fonds de terre (F) : gronderf.
Franc-alleu (F) : Allodium: "le franc-alleu noble avait droit de justice".
Francyn (Mnl) : francenum (L), oude naam voor het oorspronkelijk uit Frankrijk (France) ingevoerde perkament.
Freule : titel van een ongehuwde adellijke dame.
Frimaire (F) : rijpmaand (nov-dec)
Fronarbeiter (D) : arbeider in vroondienst, in herendienst, in leendienst.
Fronbauer (D) : boer wonend op vroonland, leendienstplichtige (N).
Fronfrei (D) : vrij van vroondienst, vrij van herendienst (N).
Fronfuhre (D) : vervoer in herendienst (N).
Fronpflichtig (D) : tot vroondienst verplicht, herendienstplichtig (N).
Fronregister (D) : register van een vroon (N).
Fructidor (F) : vruchtmaand (aug-sep)

G

Gade : eega, echtgenoot, echtgenote.
Geallieerd : door huwelijk verbonden, verwant.
Gebaren (Mnl) : ter wereld brengen.
Gecanceleert (Mnl) : geschrapt, doorgehaald (bv. een schepenbrief) of door insnijdingen ongeldig gemaakt.
Geconquesteerde goederen : zijn nieuw aangekochte goederen tijdens een huwelijk.
Gederfde goederen : goederen reeds verkocht vóór het afsterven van erflater.
Geëxpedieerde akte (N) : is een in het net geschreven afschrift van een minuut dat men aan de betrokkende medegeeft (N).
Gegoed (N) : bemiddeld (N); aisé, vivant dans l'aisance (F); begütert, wohlhabend, bemittelt (D); well-to-do, well-off, in easy circumstances (E). Gegoede stand (N); la bourgeoisie (F); die besitzenden Klassen (D); the moneyed classes (E); zeer gegoed (N); cossu (F); de meer gegoeden (N); the better-off, the better-class people (E).
Gegoedheid (N) : aisance (F); Wohlhabenteit, der Wohlstand (D); ease, competency, wealth (E).
Gemaal : echtgenoot, voor personen van hoge rang, b.v. een vorst.
Gemalin : benaming van echtgenote bij personen van hoge rang, b.v. vorstin.
Genadeslag (N) : de slag, waarmede de beul een einde maakte aan de martelingen van de gefolterde (N); coup de grâce, dernier coup que l'exécuteur appliquait sur l'estomac du patient roué vif, et qui, hâtant sa fin, semblait une sorte de miséricorde (F); der Gnadenstoss, den Todesstoss geben (D); finishing stroke, death blow (E); colpo di grazia (It); golpe de gracia (Sp).
Generatie (N) : men berekent drie generaties per eeuw (N); génération: chaque degré de filiation en ligne directe, il y a une génération du père au fils, et deux de père au petit fils, trois générations font un peu moins d'un siècle (F); Geschlechterfolge, ca 30-35 Jahre (D).
Germinal (F) : kiemmaand (maa-apr)
Geselnede (Mnl) : gezellin, compagne, echtgenote.
Gesibbe = gesibschap (Mnl) : verwant (N).
Geslacht (N) : familie, generatie (N); famille, lignée, maison, génération (F); Geschlecht (D); family, lineage, generation (E).
Geslachtkunde (N) : genealogie (N); généalogie (F); Geschlechtskunde, Genealogie (D); genealogy (E).
Geslachtkundige (N) : genealoog (N); généalogiste (F); Genealoge (D); genealogist (E).
Geslachtsboom (N) : stamboom (N); arbre généalogique, généalogie (F); Geschlechtsbaum, Stammbaum (D); genealogical tree, family tree, pedigree (E).
Geslachtslijn (N) : afdalende linie (N); ligne descendante (F); Geschlechtslinie (D); line of descent (E).
Geslachtsnaam (N) : familienaam (N); nom de famille (F); Geschlechtsname (D); familyname (E).
Geslachtsregister (N) : registre généaloqique (F); Geschlechtsregister (D); genealogical register, pedigree (E).
Geslachtsrijp (N) : nubile (F); Geschlechtsreife (D); having attained the age of puberty (E).
Geslachtsrijpheid (N) : puberteit (N); puberté, pubère (F); die Geschlechtsreife (D); puberty, sexual maturity (E).
Geslachtstabel (N) : geslachtslijst, genealogische tabel (N); table généalogique, tableau généalogique (F); Geschlechtstafel (D); genealogical table (E).
Geslachtswapen (N) : familiewapen (N); armoiries, armes (F); Geschlechtswappen (D); familyarms (E); blason (Sp), armas (Sp).
Gesoncken : bijgezet, begraven.
Gestaetheyt (Mnl) : staat, stand, vermogen, gegoedheid (N).
Gevadere (Mnl) : peetvader, doopvader, peetemoei, doophefster.
Gevaderschap (Mnl) : peeterschap, peet.
Gevadersche (Mnl) : doopmoeder.
Gild (N), Gilde (N) : corporation (jurée), corps de métier (F); die Gilde, Zunft (D); guild, corporation, craft (E).
Gildeboek (N) : livre des métiers (F); das Gildebuch, dan Zunftbuch (D).
Gildebrief (N) : getuigschrift van meesterschap (N); lettre de maîtrise (F); Zunftbrief (D); charter (E).
Gildebroeder (N) : lid van een gilde, vakgenoot, collega (N); confrère, membre d'un corps de métier (F); Zunftgenosse, der Gildebruder, Zunftler (D); guildbrother, member of a guild, brother of the craft (E).
Gildehuis (N) : het verenigingsgebouw van een gilde (N); hôtel de corporation (F); Zunfthaus (D); guild-hall (E).
Gildekamer (N) : het verenigingslokaal van een gilde (N); chambre de réunion du métier (F); guild hall (E).
Gildeknaap = gildeknecht - gildebode (N); messager de corporation (F).
Gildemeester (N) : deken van het gilde, gildeheer, overman (N); Gl, Syndic, doyen, maître du métier (F); Zunftmeister, Gildemeister (D); guild-master (E).
Gildepenning (N) : penning der gildebroeders als bewijs van lidmaatschap (N); jeton de corporation (F); der Gildpfenning (D); medal of a guild (E).
Gildeproef (N) : het vervaardigen van het meesterstuk, waarmede iemand het meesterrecht verwierf, ook het proefstuk zelf (N); chef d'oeuvre (F); die Meisterprüfung, die Meisterprobe (D); trial piece (E).
Gilderecht (N) : het recht dat men als lid van een gilde had om een bedrijf uit te oefenen (N); droit corporatif, jurande (F); Zunftrecht, das Gilderecht (D); rights of a guild (E).
Gildewezen (N) : alles wat op de gilden betrekking heeft (N); régime corporatif (F); Zunftwesen, das Gildewesen (D); system of guilds (E).
Gl, Gld = gulden
Gouden ader (N) : destijds toen het aderlaten nog tot de geplogenheden behoorde, noemde men de haemorroidale bloedingen de gouden ader. Inderdaad het bespaarde de kosten van het aderlaten. Bloedende aambeien (N); hémorroïdes saignantes (F); goldene Adern, Hämorrhoiden (D); piles, hemorrhoids (E); emorroide, morici (It); hemorroides (Sp).
Grondboek : terrier (F); ommeloper; chassereau (F); een register bevattende de denombrementen van personen die leenplichtig waren onder een heerlijkheid met vermelding van hun cijnsen en andere verplichtingen.
Gronddief : iemand die grond van een ander inpalmt door verplaatsing van de scheidingspalen; déplaceur de bornes (F).
Grondeigenaar : hij die de eigenaar is van stuk grond te weten in tegenstelling met de gebruiker, huurder, erfpachter enz...; propriétaire foncier (F), propriétaire terrien (F).
Grondhorigen : lijfeigenen die bij de grond behoorden, bij verkoop van de grond gingen zij mede over aan de nieuwe eigenaar; gens de corsage (F), serfs attachés à la glèbe (F).
Grootheer (Mnl) : grootvader.
Groothertog (N) : grand-duc (F); der Grossherzog (D); grand duke (E).
Grootkanselier (N) : grand-chancelier (F); des Grosskanzler (D); Lord High Chancellor (E).
Grootmoeder : oude moeder, beste moeder, bestemoer, grootmama, grootje, oma, omoe, opoe; Grossmutter (D) : grand-mère, aïeule (F); grandmother (E).
Grootouders : de ouders van iemands vader en moeder; Grosseltern (D); grands-parents (F); grandparents (E).
Grootvader : oudvader, beste vader, bestevaar, grootpapa, opa, opatje; Grossvater (D); grand-père (F); grandfather (E).
Grootvrauwe (Mnl) : grootmoeder.
Grosse : grossa (L), grosse (F), naar de oorspronkelijke opvatting een in het net, met grote, duidelijke letters gesteld afschrift van een ambtelijk stuk, de grosse staat tegenover de minuut te weten het in klein schrift gestelde ontwerp of origineel; de grossen hebben dezelfde bewijskracht als de oorspronkelijke akten.
Grote of grove tiend : decima bladi (L) = graantiend en decima feni (L) = hooitiend; grosses dîmes (F) "dîmes qu'on levait sur les gros fruits, comme le blé et le vin".
Gyne (Gr) : vrouw (N).

H

Haaier (N) = hayer : "inhaelder van de Settinghen", ontvanger der belastingen (N); hij die bij "openbaer aenbod minst doende den naesten" d.i. tegen het minst "tantiesme" of loon, het innen der belasting met de aanklevende verplichtingen op zich nam; hij moest een borg stellen en iemand vinden die voor hem borg wou staan.
Hagiotherapie (N) : geneeswijze met gebeden en bezweringen (N).
Halfbroeder (Mnl) : broeder uit een ander huwelijk van dezelfde vader of van dezelfde moeder.
Halfhuwelijk : concubinaat.
Halfwinningen (N) : de halfwinning was het recht te profiteren van de helft der vruchten gewassen op zekere gronden. De zettingen daarvan waren door eigenaar en de pachter bij helft te dragen (N).
Halfzuster : zuster uit een ander huwelijk van dezelfde vader of van dezelfde moeder.
Halseigen (Mnl) : over wiens leven een ander naar willekeur beschikken kan (N).
Halsen = helsen (Mnl) : onthalzen, onthoofden, ook in de betekenis van omhelzen (N).
Halsgerechte (Mnl) : halsgerecht (N), het hoge gerecht, de bevoegdheid om het doodvonnis uit te spreken, criminele rechtbank (N); cour de haute justice (F); Halsgericht (D); criminal court (E).
Halsheerlycheit (Mnl) : halsheerlijkheid (N), een heerlijkheid met laag en hoog gerecht d.i. halsrecht (N); domaine de haut justicier (F).
Halshere (Mnl) : halsheer (N) : hij die over iemand leven en dood beschikken kan, heer van een heerlijkheid met halsrecht (N); seigneur haut justicier, tyran (F).
Halshouwer - Halshuggen (Mnl) : beul (N); bourreau (F).
Halsiser (Mnl) : halsijzer, halsboei, halsbeugel, ijzeren band om de hals waarmede een misdadiger vastgeklonken werd (N); carcan (F); das Halseisen (D); collar ring (E).
Halslossinge (Mnl) : het afkopen van een rechtmatige doodstraf (N).
Halsmisdaad (N) : misdaad waarop de doodstraf staat (N); crime capital (F); die Todesstrafe (D); capital crime (E); Als een halsmisdaad aanrekenen (N); imputer crime (F).
Halsrecht (N) : voltrekking van de doodstraf "er wordt heden halsrecht gehouden" (N); droit de haute justice; exécution capitale (F); das Halsrecht (D); criminal jurisdiction, execution (E).
Halsrechter (N) : rechter die een doodvonnis kan uitspreken (N); seigneur haut justicier (F); criminal judge (E).
Halsstraf (N) = doodstraf (N); peine capitale, peine de mort (F); Halsstrafe (D); capital punishment (E). Op halsstraf (N) = sous peine de mort (F).
Hancman (Mnl) : hancdief (Mnl); scherprechter die de dieven opknoopt.
Havelick, oft roerelick goet (Mnl) : tilbaar goed zoals meubelen, veestapel, alaam enz...
Havertiend (N) : dôme sur les avoines (F); der Haferzehnte (D).
Heerlijkheid : is een deel van een territoriaal vorstendom waarover iemand (hetzij man of vrouw of een rechtspersoon bv. een kerkelijk sticht) uit eigen naam overheidsrechten uitoefent onder het hooggezag van de vorst. Zonder justitierechten is er geen heerlijkheid, enkel een domein.
Helm (N) : Helmvlies (N) : het vlies dat bij de geboorte het hoofd van sommige kinderen omgeeft en waarvan het bijgeloof bijzondere eigenschappen toeschreef o.a. de gave om rampen te voorzien. Hij is met de helm geboren, 't is een gelukskind (N); enfant né coiffé, "privilégié de la vie" (F); die Glückshaube, der Glückshelm, "in der Glückshaube geboren" (D); born with a caul (E).
Hembra (Sp) : wijfje, vrouwtje (N).
Heraut (N) : heraldus (Mlat) : uitroeper, verkondiger, de man, die bij de tornooien tijdens de middeleeuwen de adellijke wapens moest onderzoeken (N).
Heritage (F) : "ce qui vient par voie de succession", erfenis, particulièrement, les immeubles réels, comme terres, maison etc...", erfgoed, landgoed, vast goed.
Herkomst : bedoeld is meestal het komen uit een land of streek.
Hoochbailliu (Mnl) : voorname of voornaamste baljuw.
Hoochballiu (Mnl) : hoogbaljuw, was de rechtstreekse vertegenwoordiger van de vorst en hoofd van het bestuur van het land, van een kasselrij of van het ambacht (Graafschap Vlaanderen) (N).
Hoochheerlijcheit (Mnl) : halsheerlijkheid (N).
Hoochhuus (Mnl) : slot, kasteel, huis van de heer (N).
Hoofdelijke misdaet (Mnl) : halsmisdaad (N).
Hovenierstiend : vlas, - lijnzaad-, rapen-, raapzaad-, kemp-, henneptiend; vertes dîmes (F) "celles qu'on levait sur les légumes, le chanvre etc".
Huisvrouw : echtgenote.
Huwen, met de linkerhand huwen : een vrouw van minderen rang huwen, aan welke niet al de rechten van een wettige vrouw gegeven worden (inzonderheid bij vorsten) (N).

I

Immemorabele tyden : sedert aloude tijden in bezit, vaak gezegd wanneer de erfbrieven verloren zijn.
Indemnité (F) : schadeloosstelling; recht te betalen aan de heer wanneer een leen werd verworven door de kerk, dit wil zeggen in de dodhand overging, om hem schadeloos te stellen voor het verlies van de mutatierechten (N); terme de jurisprudence féodale : droit payé au seigneur quand un fief est acquis par l'Eglise, c'est à dire lorsqu'il tombe en mainmorte, pour le dédommager des droits de mutation que la mainmorte abroge et qui lui seraient échus (F).
Infeudatie : inféodation (F), bezitneming van een leen door de belofte van hulde en manschap aan de leenheer.
Ingénue (F) : ongekunsteld, eenvoudig, oprecht, argeloos meisje.
Intestat (F) : s'est dit, dans le moyen-âge, de celui qui mourait sans confesseur (F); hij die stierf zonder biechten (N).
Investituur (N) : "is de receptie tot de hulde van de leenman door zijn leenheer" (N); "acte par lequel on investit quelqu'un d'un fief ou d'une dignité ecclésiastique" (F), investiture (F); die Investitur (D); investiture (E).
Issuemeester = exuere (Mnl) : de heffer en beheerder van het recht van "exue" of "issue" (N).
Issuerecht : recht door het stedelijk bestuur geheven van erfenissen in de stad die aan personen daarbuiten toevallen (N); exue (Mnl).

J

Jonckwijf : dienstmaagd.
Jongedochter : ongehuwde vrouw.

K

Kadaster (N) : grondbeschrijving: register van alle gronden en onroerende eigendommen in een land, voor berekening van de te heffen belasting; bureau van het kadaster waar plannen en kaarten, benevens schattingsregisters en dokumenten bewaard en bijgewerkt worden (N); cadastre, arpentage et l'évalutation des propriétés imposables; autrefois, le registre cadastral servait à l'assiette des tailles réels c.à.d. registre de l'impôt par tête (bas latin: capistratum, de caput = tête) (F); das Kataster, das Grundbuch, Grundbuchamt (D); land registry, register of real, property, cadastre (E).
Kadasterlegger, perceelsgewijzelegger (N) : legger voor de omslag der kadastrale belasting (N); matrice cadastrale, cadastre parcellaire (F); das Grundbuchblatt (D).
Kadastraal (N) : tot het kadaster behorende, kadastrale omschrijving, kadastrale plans, b.v. "een huis gelegen aan de steenweg op Herenthout, sectie B, Nr. 46" (N); cadastral (F); im (nach dem) Kataster (D); cadastral (E).
Kadastreren (N) : kadastrering, het meten en in kaart brengen van alle onroerende goederen, kadastraal inschrijven, volgens het kadaster omschrijven; cadastrer (F), cadastrage = cadastration: het opnemen van de onroerende goederen; katastrieren, im Flurbuch eintragen, ins Grundbuch einschreiben (D); (inschrijven) register, (opmeten) survey (E).
Kavel (N) : perceel, portie van een nalatenschap, partij, lot (N); lot, parcelle (F); der Posten, das Los, die Partie, die Kaveling, das Erbteil (D).
Kavelaar (N) : hij die de verdeling der loten doet (N); lotisseur (F).
Kavelen (N) : verkavelen, in kavels scheiden, in percelen verdelen, in loten verdelen, in partijen verdelen (N); allotir, allotissement, parceller (F); in Lose abteilen, parzellieren (D).
Kaveling (N) : het kavelen, verkaveling, bij kaveling verkopen, in loten verdelen (N); allotement, lotissement (F); die kaveling, das Los, die Partie, die Parzelle (D).
Kerfstok (N) : kerfhout (N) : stok waarop door kerfjes of insnijdingen aangewezen wordt, hoeveel bv. broden de houder van de kerfstok op krediet gehad heeft (N); taille (F); das Kerbholz (D); tallystick (E).
Kerkbaljuw (N) : roedrager, kerkwachter, kerkeknecht, kerkbewaarder, die, gekleed in 't oude kostuum der zwitserse gardes, de orde in de kerk bewaart (N); suisse (F); Schweizer, der Kirchen- knecht, Kirchendiener (D); beadle, verger, sexton (E).
Keviskind : "keveskint", natuurlijk kind.
Kin (E), next of kin (E) : naaste bloedverwant, maagschap, bloedverwantschap, familie, geslacht (N).
Kinderen van getrouden bedde (Mnl) : A.o 1423: wettige kinderen (N).
Kindskind : kleinkind.
Kinsfolk (E) = kinspeople (E) : familie (N).
Klift : generatie, waarschijnlijk afgeleid van cluft, clucht.
Konkelleen (N) : vrouwenleen, leengoed dat ook aan vrouwelijke erfgenamen kon overgaan (N); fief féminin (F); das Frauenlehen, Weiberlehen (D); spindle fief, female fief (E).
Kozijn : koze, kozze, zoon van een oom of tante, broer of zuster, neef of nicht; Vetter (D); cousin, neveu (F); cousin (E); sobrinus, consobrinus, cognatus,consanguineus (L) (volgens Kilianus).
Kriebelziekte (N) : ergotisme, vergiftiging met moederkoorn, een op vochtige gronden voorkomende uitwas bij graansoorten, vooral aan roggearen, die een vergiftigde werking heeft; bv. brood gebakken van graan dat moederkoorn bevat kan de ziekte veroorzaken, het kriebelend gevoel in het lichaam kan door verlamming, blindheid en zelfs de dood gevolgd worden; ergotismus (L); ergotisme (F); Kriebelkranheit, Krampfsucht, Mutterkornvergiftigung (D), Moederkoorn (N); seigle ergoté (F); Mutterkorn (D); spurred rye, ergot (E).
Krijtende tiend : tiend op dieren o.a. lammeren, kalveren, pullen, veulens, bokjes, biggen en bijen.
Kroost : collectieve benaming voor de kinderen van een gezin; Nachkommen, Sprösslinge (D); descendance, progéniture (F); issue, progeny, offspring (E).
Kruishuwelijk : huwelijk waarbij man A trouwt met vrouw B en de broeder van B huwt met de zuster van A

L

Landbouwer (N) : akkerman, landman, boer (N); Agrarius, Agrestis, Agricola, Agricultor, Ruricola, Rusticus (L); agriculteur, cultivateur, laboureur (F); Landarbeiter, Feldarbeiter (D); farmer, agriculturist (E). De persoon die de akker bebouwt of een landbouwonderneming bestuurt.
Lapgetuige : tweede getuige bij aangifte van geboorte, meestal een aanwezige die zijn diensten aanbiedt en achteraf een fooi verwacht.
Lapmeter : lapje meter, meetjelap.
Lappeter : iemand die de eigenlijke peter vertegenwoordigt bij de doop van het kind. Lappeet, peetjelap, peetlap.
Leenroerig gemaakte tiend : tiend door verkoop, door dwang of anderszins in bezit genomen van leken; dîmes inféodées (F).
Leviraat (N) : zwagerhuwelijk (N); levir (L); Huwelijk met de kinderloze weduwe van iemands broeder (N). Levirat (F): "terme d'antiquité juive. Obligation que la loi de Moïse imposait au frère d'un défunt d'épouser la veuve de celui-ci".
Licitation (F) : vente aux enchères d'une chose indivisé, le plus souvent immobilière, entre copropriétaires de cette chose, avec ou sans admission d'étrangers (F); verkoop bij opbod tussen de mede-eigenaars van onverdeelde goederen (N).
Lijkschouwing (N) : schouwing gedaan door wetsdokter (N); visite de cadavres, l'examen que des médecins, nommés par la justice, font d'un corps mort (F).
Livre foncier (F) : grondboek.

M

Maagschap : gezamelijke bloed- of aanverwanten.
Maagtaal : lijst der bloed- en aanverwanten bij het verdelen van een erfenis.
Maeg-geld : zie erfzoen.
Mainbournie (F) : voogdijschap (N).
Malversatie (N) : slecht beheer, ambtsontrouw, ontrouwe waarneming van een bediening; verduistering van gelden (N); malversare (L); malversation (F); die Malversation, die Unterschlagung, die Veruntreuung, der Unterschleif (D); malversation (E).
Mannenkraambed (N) : bij sommige primitieve volkeren bestaat het gebruik dat de man enige tijd te bed blijft nadat zijn vrouw van een kind bevallen is (N); couvade : (F).
Manschap of hulde : is een eed waardoor de leenman zich verbindt de leenheer trouw te zijn.
Manuaal : manuel (F) : een boek dat men altijd bij de hand heeft om er achtereenvolgende posten in aan te tekenen.
Manwyf of mannenwyf (Mnl) : getrouwde vrouw, later tweeslachtig mens, hermafrodiet.
Mariage in extremis (F) : huwelijk op het sterfbed (N).
Mariage (F) : huwelijk (ook in nederlandse teksten, vooral in de XVIIIde eeuw gebruikt).
Mariage de conscience (F) : huwelijk gesloten na samenleving (N).
Mariage. Trouver la nappe mise (F) : een vrouw huwen die reeds haar eigen meubels heeft (N).
Matrone (Mnl) : dame of leeftijd.
Medemoeder : meter.
Meester van den scherpen zwaarde : beul, scherprechter; exécuteur des hautes oeuvres (F), bourreau (F).
Mei : de maand mei was de gewone termijn bij het huren van land, huizen, meiden en knechten.
Meisen kind (Mnl) : minderjarig kind, ook soms minnaris.
Meiseniedelieden of meiseniers : lees: Jan Lindemans, Van Meiseniersbloed.
Meisnide (Mnl) : de gezamelijke huisgenoten, met inbegrip van de meiden en knechten.
Menues dîmes (F) : smalle tiend.
Messidor (F) : oogstmaand (jun-jul)
Messie : mesthoop, bij de openbare verkoop van een inboedel was het vaak de messie die de meeste bieders lokte.
Métayage (F) : verpachting tegen een deel van het vruchtgenot, halfbouw, deelbouw (N).
Métayer (F) : pachter (N); métayère (F) : pachtersvrouw (N).
Meter : peet, peettante, petemoei, doopgetuige, doopmoeder, medemoeder, doophefster; Taufpatin (D), Taufmutter (D), Gevatterin (D); marraine (F); godmother (E).
Métivier (F) : plaatsvervanger van de landheer (N).
Micke (Mnl) : mik (N), een gaffelvormig uitlopende paal die men als galg gebruikte; patibulum (L); fourche patibulaire (F); Op de schilderij van P. Breugel, Triomf van de dood, zie men een dode man met het hoofd in de mik hangen.
Minuut : is de oorspronkelijke akte, door de notaris bewaard waarvan hij gewaarmerkte afschriften of grossen aflevert aan de belanghebbenden.
Misogame (F) : huwelijkshater (N).
Misogamie (F) : huwelijksverachting (N).
Misogynie (F) : vrouwenhaat (N).
Moeder (N) : de vrouw die een kind of kinderen gebaard heeft (N); mater (L); mère: femme qui a mis un enfant au monde (F); die Mutter (D); mother (E); madre, femmina che ha figliuoli (It); madre (Sp).
Moederssone (Mnl) : onecht kind.
Moedervlek (N) : naevus (L): die een moedervlek heeft, met een moedervlek geboren is (N); naevus, meervoud naevi (F) "naevus maternel, tache sur la peau des enfants et née avec eux"; Muttermal (D).
Momboor : momber, voogd, verzorger van wezen.
Morgenspraak : de zittingen van het gerecht in openlucht begonnen vroeg in de morgen.
Mort né (F) : dood geboren.
Mortaillable (F) : aan het lijfeigenrecht onderworpen.
Mortaille (F) : recht, volgens hetwelk de erfenis van de overleden lijfeigene aan de heer kwam.
Mortinatalité (F) : verhoudingscijfer der dood geboreren.
Mud = mudde (N) : inhoudsmaat, hectoliter, korenmaat van 120 pond (in Vlaanderen), ook landmaat: zoveel land als met een mud graan bezaaid kan worden (40 aren); hectolitre (F), muid (Paris); das Hectoliter (D); hectolitre (E).

N

N.S. : nieuwe stijl in de tijdrekenkunde; meestal wordt bedoeld de stijl waarbij het jaarcijfer op 1 januari werd gewisseld, en niet met Pasen (Nederlanden), 25 maart (Engeland) enz...
Nabestaande : bloedverwant maar met meer verwijderde betrekkingen.
Nagelmagen : verwanten van de zevende graad.
Nagelvriend : bloedverwantschap werd eertijds uitgebeeld door een menselijk figuur. De nagel van de hand was de zevende graad, daarna was er geen maagschap meer.
Nagelvriend = nagelmaag: bloedverwant in de zevende graad, verre bloedverwant.
Naissance (F) : hoge geboorte, hoge afkomst (N); avoir de la naissance; van adel zijn; homme de naissance: man van adel; homme sans naissance: man van geringe afkomst.
Nakroost : in de meeste gevallen geen nabestaande familieband en alleen betrekking hebbende op een meer verwijderd nageslacht; woord uit de literaire taal.
Naneef : nakroost, nazaat.
Nantir (F) : "mettre qqn. en possession d'une chose qui sert de gage" (F); een waarborg of pand geven aan iemand (N).
Nantissement (F) : action de nantir (F); pandrecht, pand, borgtocht, hypotheek (N).
Natuurlijk kind : natuurlijk heet men de geboorte van een kind waar alleen de natuur aan het werk is geweest, buiten alle door kerk en wet aan de ouders opgelegde formaliteiten om.
Natuurlijk kind : een kind niet gedurende een huwelijk geboren.
Nawijf (Mnl) : een echtgenote komende na het overlijden van haar voorgangster.
Nazaat : nakroost, naneef.
Né (F) : geboren (N); homme bien né : man van hoge afkomst; cette femme n'est pas née : die vrouw is niet van adel.
Necrologie (N) : nécrologe (F). Dodenlijst, dodenregister in kerk of klooster bewaard (N).
Necrologie (N) : necrologie (F). Levensbericht na overlijden van sommige personen, in memoriam (N).
Necroloog (N) : necrologue (F). Levensbeschrijver van overledenen (N).
Neef : zoon van iemands broeder of zuster; zoon van oom of tante; Vetter (D); neveu (F); cousin (E).
Nicht : dochter van iemands broeder of zuster, dochter van oom of tante.Vetterin (D); nièce (F); cousin (E).
Nivôse (F) : sneewmaand (dec-jan)
Nobel (Mnl) : edel van geboorte; noble (F).
Noblesse d'agrégation (F) : aangenomen adel.
Noblesse d'extraction (F) : "celle dont l'origine est inconnue"; geboorte adel waarvan de oorsprong niet meer te achterhalen is.
Noblesse d'épee (F) : oude adel uit de riddertijd.
Noblesse de charge (F) : ambtsadel.
Noblesse de finance (F) : gekochte adel.
Noblesse de la cloche (F) : "celle qui venait de mairie ou d'échevinage"; adel gesproten uit burgemeester of schepen.
Noblesse de lettres (F) : uit brieven van adeldom voortvloeiende adel.
Noblesse d'office (F) : ambtsadel.
Noblesse de race (F) : geboorte adel.
Noblesse de robe (F) : ambtsadel, adel spruitende uit de magistratuur.
Noblesse dormante (F) : bij wijze van strafmaatregel tijdelijk geschorste adel.
Noblesse présentée (F) : "les nobles qui vont à la cour"; adel die aan het hof is voorgesteld geweest.
Noblesse militaire (F) : "celle qui appartenait de droit aux roturiers parvenus à certains grades"; adeldom verleend aan militairen van hogere rang.
Nobliau = noblillon (F) : berooid edelmannetje (N).
Noce (F) : huwelijk, echt, huwelijksplechtigheid.
Noce d'argent (F) : zilveren bruiloft, huwelijksfeest of jubileum van 25 jaar.
Noce de diamant (F) : diamanten bruiloft van 60 jaar.
Noce d'or (F) : gouden bruiloft van 50 jaar.
Noce d'or épiscopale (F) : vijftigjarig jubileum van een bisschop.
Notabelen (N) : notabilis (L); notables (F); Notabeln, Honoratioren (van een dorp) (D); notable man, notability, leading man (E). De aanzienlijkste, voornaamste burgers van een gemeente (N).
Nourrice (F) : min, zoogster, voedster.
Novale landen : worden zodanige landen door verstaan, die als 't ware voor het eerst ontgonnen of nieuwelijk bebouwd worden, en die van 's mensen geheugen niet bebouwd zijn geweest of vruchten voortgebracht hebben; novalis (L), novaal: nieuw.
Novale tienden : tienden geheven van novale of andere vroeger tiendvrije landen.
Nuncupatif (F) : in tegenwoordigheid van getuigen, mondeling gemaakt (testament).

O

O.S. : oude stijl in de tijdrekenkunde, vóór de invoering van de Nieuwjaarsstijl.
Oath of purgation (E) : zuiveringseed (N).
Obsèques (F) : faire les obsèques de ... (F); plechtige uitvaartdienst, de uitvaart houden van ... (N); feierliche Exequien (D); obsequies (E).
Ohem (Mnl) : oom.
Oir (Mnl) : erfgenaam.
Okshoofd (N) : vat (N); muid de vin de Paris, 270 litres, muid de blé de Paris: 18 h.l. (F); Parijse mud 18 h.l. (N); das oxhoft (D); hogshead (E).
Olografisch Testament : olographe (F), geheel door de erflater zelf geschreven testament.
Ommeloper : chassereau (F), zie : grondboek.
Ommeslaan (Mnl) : naar een bepaalde maatstaf het aandeel bepalen in een belasting, omslaan (N).
Ommestellingen (Mnl) : omslaan, gelijkmatig over belastingsschuldigen verdelen (N).
Onbemaagde : geen bloedverwanten meer hebbende. Na de zevende graad zijn er geen magen meer.
Onbestorven weduwe : een vrouw niet door de dood, maar door langdurige afwezigheid, van haar echtgenoot gescheiden.
Onderschoven kind : heimelijk een ander kind in de plaats van het echte stellen; in de literatuur gebeurde dit al dan niet met medeweten van de min, "changer un enfant en nourrice, substituer un autre enfant en place de celui qui a été remis à la nourrice".
Onderschoven testament : een vals testament.
Onecht kind : een buiten huwelijk verwekt kind.
Ongecanceleert (Mnl) : zonder uitschrappingen of insnijdingen; een akte niet door insnijdingen enz... ongeldig gemaakt.
Ongecanceleert (Mnl) : zonder door iemand aangeklaagd te kunnen worden; onaangevochten, onbestreden (N).
Ongelder (Mnl) : ontvanger van het "ongeld" (N).
Ongelt (Mnl) : assisia (L); belasting, vooral op levensmiddelen, verterings- en gebruiksbelasting; onkosten te betalen bij openbare verkopingen (N).
Onroerlick goet : ontilbaar goed zoals huizen en erven; biens immeubles (F), fonds de terre (F).
Onterven (N) : iemand van zijn erfdeel beroven (N); déshériter, priver quelqu'un d'une succession (F).
Onterven (Mnl) : verkopen (N).
Onthoofden (N) : décapiter (F), trancher la tête à qqn. (F), guillotiner (F); enthaupten, köpfen (D), behead, decapitate (E).
Onwettig kind : een kind uit een huwelijk geboren dat volgens de wet niet geldig is.
Oom : moedersbroeder, vadersbroeder, onkel, nonkel; Oheim (D), Onkel (D); oncle (F); uncle (E).
Oomskind : neef, nicht.
Oomssone (Mnl) : neef.
Oomzegger : neef; neveu (F); Neffe (D); nephew (E).
Oomzeggerskind : achterneef.
Oomzegster : nicht; Nichte (D); nièce (F); niece (E).
Oor : ore, oir, hoir, hore, erfgenaam.
Oorane : bet-over-grootvader, abavus (L).
Oornaam : geslachtsnaam, bijnaam.
Oppervader : grootvader.
Opsetene (Mnl) = gesetene (Mnl) : noemde men de inwoner die zijn land op de parochie bewerkte; gevestigde, inwoner.
Orlinc (Mnl) : erfgenamen, nakomelingen.
Oud-overanen : bet-oud-overgrootvaders.
Oud-overgrootvaders : overanen.
Oude tiend : tiend van grond die bij de vestiging van de tiend reeds ontgonnen was.
Ouder (N) : vader of moeder, van ouder tot ouder (N); père, mère, de père en fils (F); der Vater oder die Mutter (D), das Elter, durch mehrere Geschlechter hindurch (D); parent, from generation to generation (E).
Ouderloos (N) : ouderloze wees, volle wees (N); sans parents, orpehlin de père et de mère (F); elternlos, verwaist (D); parentless (E), without parents, orphaned (E).
Ouderpaar (N) : ouders (N); parents, couple parental (F); das Elternpaar (D); parents, father and mother (E).
Oudershuis (N) : huis waarin de ouders wonen (N); toit paternel, maison patrimoniale (F); das Elternhaus, väterliche Haus (D); parental home (E).
Oudgrootmoeder : overgrootmoeder, proavia (L).
Oudgrootvader : overgrootvader, proavus (L).
Oudmoeder : grootmoeder, avia (L).
Oudmoei : oudtante.
Oudoom : oom van iemands vader of moeder, broeder van iemands grootouders.
Oudtante : oude moeye, tante van iemands vader of moeder, zuster van een der grootouders.
Oudvader : grootvader, avus (L).
Oudvaders : voorvaderen, voorgeslacht.
Oudzusterling : kind van een oudoom of oudtante.
Over-over-grootvader : grootvader van de grootvader, bet-overgrootvader.
Overanen : oudovergrootvaders.
Overbestemoeder : overgrootmoeder, overbestemoer.
Overbestevader : overgrootvader, overbestevaar.
Overdragen (N) : overgaan, toevallen, versterven op, devolveren (N); dévolu, qui est transporté, transféré, échu, acquis par droit, "héritage dévolu à la ligne paternelle" (F).
Overgangsrecht (N) : devolutierecht, overdracht van goederen van een familie die in de rechte lijn is uitgestorven (N); dévolution: attribution des biens à une ligne successorale par suite de l'extinction ou de la rénonciation de l'autre; à défaut d'héritiers tout l'héritage d'un défunt revient à l'Etat par dévolution (F).
Overgangsrecht (N) : toewijzing van goederen uit het tweede huwelijk aan kinderen uit het eerste (N).
Overgrootmoeder : de moeder van iemands grootvader of grootmoeder; Urgrossmutter (D); bisaïeule (F); gread-grandmother (E).
Overgrootouders : ouders van iemands grootvader of grootmoeder; Urgrosseltern (D); arrière-grands-parents (F).
Overgrootvader : de vader van iemands grootvader of grootmoeder. Urgrossvater (D); bisaïeul (F); great-grandfather (E).
Overkindskind : achterkleinkind.
Overoom : oudoom.
Overouders : grootouders, voorouders, voorvaderen.
Overoudgrootmoeder : bet-overgrootmoeder.
Overoudgrootvader : bet-over-grootvader.
Overoudmoeder : overgrootmoeder.
Overoudmoei : tante van iemands grootvader of grootmoeder.
Overoudoom : oom van een der grootouders.
Overoudtante : zuster van de overgrootvader of overgrootmoeder.
Overoudvader : overgrootvader.
Overschoonvader : aangehuwde grootvader.
Overtrouwen : opnieuw trouwen, na het burgerlijk huwelijk overtrouwen in de kerk.

P

Paap (Mnl) : pap (L), in de middeleeuwen de naam voor priester (N).
Pade (Mnl) : peet, doopvader, ook : doopkint (OostMnl).
Pair (E) : engels edelman; de naam is ontstaan, doordat volgens middeleeuws rechtsbegrip niemand geoordeeld kon worden dan door zijn "pairs", dus zijns gelijke.
Pairess (E) : de vrouw van een pair.
Palimpsest (N) : een perkament handschrift, waarop veelal uit zuinigheid, over de onleesbaar gemaakte eerste tekst een andere geschreven is. Langs chemische weg gelukt het vaak de oorspronkelijke, soms waardevolle tekst, weer leesbaar te maken (N).
Palmslach = coopslach (Mnl) : slag met de vlakke hand, de handslag waarmede een koop wordt bekrachtigd.
Panchiser (Mnl) : ontvanger van de "panchys".
Panchys (Mnl) = pancys (Mnl) : heerlijk recht op het brouwen van bier (N).
Pand laten varen voor de cijns : van een pand afzien, hem verlaten omdat hij meer kost dan hij opbrengen kan (N); abandonner la terre pour le cens, renoncer à un bien qui coûte plus qu'il ne rapporte (F).
Parage (Mnl) : verwantschap, een parage tellen, de graad van verwantschap met iemand uitrekenen (N).
Paranimf (N) : bruidsleider, die de bruid op de bruilofsdag terzijde staat (N); paranymphe, celui qui conduit l'épousée, ook : parrain, marraine (F); der Brautführer (D); paranymph (E).
Parent (F) : "celui qui est de la même famille" (F); bloedverwant (N); Verwandt (D); kinsman (E); pariente (Sp).
Parentage (F) : "union par les liens du sang ou par les alliances de famille" (F); bloedverwantschap (N); Blutsverwandtschaft (D); parentage (E). Parentaille (F); sleep familieleden (N).
Parental (F) : ouderlijk, van ouders en kinderen (N); Elterlich (D); parental (E).
Parente (F) : "celui qui est de même famille" (F); bloedverwante (N); Verwandtin (D); kinswoman (E); parienta (Sp).
Parenté (F) : consanguinité, "tous les parents et alliés d'une même personne" (F); bloedverwantschap,vermaagschapping, gezamelijke bloedverwanten, familie (N), Blutsverwandtschaft (D); family (E); parentato, parentela, consanguinita (It).
Parentèle (F) : parenté, les parents (F).
Parents (F) : "ceux de qui on descend" (F); ouders, voorouders (N); Eltern (D); parents (E).
Pargament (Mnl) = pergament = pergameen = parcament = parkement =percament = parcamint (Mnl), perkament (N).
Pargamentmaker = parcamenter = parcamentier = parcamentmaker (Mnl).
Parmentier = permentier (Mnl) : bewerker van de fijne stoffen, die voor de kleding werden gebruikt (N).
Part, le (F) : exposition du part, l'action de déposer et de délaisser un enfant, exposer un enfant (F); te vondeling leggen (N); expose a child (E); Aussetzen (D); esporre un fanciullo (It); exponer (Sp).
Part, le (F) : suppression de part, l'action de soustraire et de cacher un enfant immédiatement après sa naissance et de le priver ainsi, non pas de la vie, mais de son état civil; suppression d'état (F); verduistering van staat (N); die Personenstandsfälschung (D); soppressione di parto (It); Suppression d'une circonstance (F): verzwijgen, weglaten van een omstandigheid (N); concealing or passing over in silence a circumstance (E).
Part, le (F) : supposition de part, l'action de présenter un enfant comme né de telle femme, bien que cette femme ne soit pas accouchée (F); onderschuiving van een pas geboren kind (N); unterschieben Kind (D); a supposed or suppositious child (E); suppostrix (L); Kinderunterschieberin (D).
Part, le (F) : substitution de part, l'action de remplacer un enfant mortné, ou un enfant dont le sexe ne répond point aux vues que l'on peut avoir, par un enfant vivant ou un enfant d'un sexe différent (F); onderschuiving van een pas geboren kind, wisselkind (N); changeling (E). Substituer (F) : mettre une chose à la place d'une autre; "l'enfant qu'elle nourissait étant mort, elle substitua son fils à la place (F); the child which she nursed being dead, she substituted her own in his place (E).
Part, le (F) : terme de jurisprudence, l'enfant dont une femme vient d'accoucher (F); pas geboren kind (N); partus (L); Leibesfrucht (D); child, infant, birth (E); parto (It); criature (Sp).
Passer devant le Maire (F) : voor de wet huwen (N).
Paydach (Mnl) : betaaldag (N).
Pelse (Mnl) : met bont gevoerd kledingstuk; bepaaldelijk: een onderkleed, ook gedragen over het blote lichaam (N); pélisse (F).
Peniteren (Mnl) : gebruik maken van het recht om af te zien van een (koop) overeenkomst, het rouwrecht; rouwkoop (N).
Pensionaris (Mnl) : rechtsgeleerd ambtenaar van een stad, vastbezoldigde rechtsgeleerde raadsman (N).
Perceelplan (N) : kadasterplan, perceelkaart, kadasterkaart (N); plan parcellaire, carte pacellaire, parcelle; terme du cadastre, se dit de chaque petite portion de terre, séparée des terres voisines et appartenant à un proriétaire différent (F); Flurkarte, Katasterkarte (D).
Père putatif (F): "celui qui est réputé le père d'un enfant, bien qu'il ne le soit pas en effet" (F); vermeende vader, gewaande vader, putatieve vader (N). Van het Lat. putare = denken.
Perquisitie (N) : gerechtelijk onderzoek, nasporing, huiszoeking (N); perquisition, perquisition à domicile, perquisition domiciliaire (F); die Haussuchung, die (Wohnungs) Durchsuchung (D); house-search, domiciliary search (E).
Persenaer (Mnl) : hij die een "pensie" of (door een stad verkochte) lijfrente heft (N).
Persisteren (N) : persistere (L); op iets blijven staan, volharden, staanhouden, bevestiging van een vorige verklaring ten overstaan van het gerecht (N); persister (F); bestehen auf, bei einer Behauptung bleiden (D); persist (E).
Personne titrée (F) : iemand van adel, iemand met een titel, voornaam persoon (N).
Persuaderen (N) : persuadere (L); aanraden, overreden, overhalen, doen geloven (N); persuader (F); überreden (D); persuade, prevail on, talk over (E).
Petekind : kind waarover men peter of meter is; tussen het kind en doopheffers bestaat het huwelijksbeletsel van geestelijk verwantschap; Patenkind (D); filleul (F); godchild (E).
Peter : peet, peetoom, doopheffer, doopgetuigen, doopborg of geestelijke vader van de dopeling; Pate (D), Gevatter (D); parrain (F); godfather (E).
Pille = Pil (Mnl) : geestelijke zoon of dochter, petekind, doopkind (N).
Pillegave = pilgifte, villegave, villegift (Mnl), padengave (OostMnl); geschenk van iemand aan zijn "pille"; Pillegelt (Mnl) doopgeschenk (N).
Pluviose (F) : regenmaand (jan-feb)
Podesta (It) : baljuw (N); bailli (F).
Podestessa (It) : moglie del podesta (It); la femme du bailli (F); vrouw van de baljuw (N).
Pointer (Mnl) = poenter (Mnl) : zetter der belastingen (N).
Pond : een pond Vlaams = zes gulden of Carolusgulden, een pond Brabants = vier gulden of Carolusgulden, een pond Artoois = een gulden of Carolusgulden, een pond Tornoois = een gulden of Carolusgulden.
Poortdinge = poortergedinge = portdinc (Mnl) : terechtzitting op vaste tijden, meest drie- of viermaal in het jaar (N).
Poorter (Mnl) : stedeling; burger eener stad, hij die hetzij door geboorte of door aanneming de rechten van de stedelingen geniet, tegenover den "here" onderdaan (N).
Poorterbrief = porterbrief (Mnl) : een door de overheid aan een poorter uitgereikte verklaring dat hij burger is (N).
Poorterschap (N) : toestand van stedeling; rechten en verplichtingen van een burger; burgerrecht (N).
Poortersneringe (Mnl) : nering die in de steden alleen aan burgers is vergund (N).
Prairial (F) : weidemaand (mei-juni)
Prijsboecken : waarin de zetters de "prijzijen" (schattingen) van landerijen optekenden (N).
Prisen (Mnl) : schatten, taxeren, waard achten, priseren (N); taxation, cote (spreek uit: kot), prisée (F); taxieren, (ab)schätzen (D); appraise, value, asses (E).
Priser (Mnl) : schatter (N).
Prisie (Mnl) : prisinge (Mnl) : prijzijen (N), schatting, taxatie, vooral om te weten of daarmede een schuld of belasting kan worden betaald.
Proefmeester (Mnl) : ambtenaar door de gilden aangesteld tot het examineren van hen, die als lid willen worden opgenomen (N).
Provoost (Mnl) : rechterlijk ambtenaar, zoals ambtman en baljuw (N).
Psaligraphie (N) : de kunst om figuren uit papier te knippen. Zie ook op het woord Silhouette.
Purge (Mnl) : zuivering (N), "hem ter purge stellen, zijne zaak aan een rechterlijke uitspraak onderwerpen"; purge, serment purgatoire (F) : zuiveringseed (N); der Reinigungseid (D).

Q

Quartieren (Mnl) : in de geslachtkunde, kwartier van een stamtabel of kwartierstaat, ter aanwijzing van de afstamming van vaders- en moederszijde, vooral ten bewijze dat iemands kwartieren adellijk zijn (N).
Quartieren = quarteleren (Mnl) : in de wapenkunde een kwartier, een der vier vakken van een gequarteleerd wapenschild; bepaaldelijk de rechterbovenhoek, het eerste kwartier van een schild (N).
Queen (E) : vrouw in kaartspel bv. klaverenvrouw (N) : queen of clubs (E).
Quene (Mnl) : een vrouw of leeftijd, een vrouw met ervaring en levenswijsheid, oud wijf (N).
Quintavolo (It) : overgrootvader van de overgrootvader (N); bisaïeul du bisaïeul (F).
Quistgoederen : prodigi (L), goederen van stadskinderen beheerd door een van overheidswege aangestelde persoon.
Quote (Mnl) : aandeel in een hoofdelijken omslag; quote (F) "la part que chacun doit payer ou recevoir dans la répartition d'une somme".
Quytbaer (Mnl) : afkoopbaar, aflosbaar; quytrente (Mnl) : afkwijtbare rente (N).

R

Recht van issue : "... van d'ingezetene goeden, die met hunne woonstede daeruyt vertrekken ende elders resideren, te weten, van d'erfelykheyd van vyftigsten penning, ende van de haeffelyke goeden den thienden penning" (Costuyme van Brussel, 112, Anno 1606).
Rechtsweerinne (Mnl) : rechtzwerin, volle nicht, rechtsweernede (Mnl).
Rechtzweer : volle neef of nicht.
Redevance (F) = censive (F) : cijns "redevance en argent ou en denrées que certaines biens devaient au seigneur dont ils relevaient".
Reengenoten (Mnl) : regenoten, bezitters van aangrenzende kavels, geburen.
Reetrecker (Mnl) : landmeter, erfscheider, rooimeester (N).
Reeuroof = reeroof (Mnl) : lijkroof, ook lijkberoving (N).
Reeuwech (Mnl) : weg waarlangs lijken naar het kerkhof werden gebracht, lijkweg (N).
Reeuwen (Mnl) : een lijk afleggen, het reinigen en voor de begrafenis in gereedheid brengen (N).
Reeuwer, reeuwige vr. (Mnl) : lijkenaflegger, ook : oppasser van besmettelijke zieken en ontsmetter hunner lijken (N).
Relief (F) : leenverhef (N), recht welke de leenman betaalde aan de leenheer bij zekere mutaties, door dit recht verhief de leenman het leen (N).
Rentage (F) : recht op de korentiend (N).
Rente : jaarlijkse rente, gewoonlijk aflosbaar tegen den penning 16 of 20. Om de kapitale penningen te vinden moet men de rente vermenigvuldigen respectievelijk met 16 of met 20, bv. 50 gulden sjaars is: 50 x 16 = 800 gulden kapitaal, 50 x 20 = 1000 gulden kapitaal.
Réplique (F) : réponse sur ce qui a été répondu; réponse à la réponse de la partie adverse: "responses, dupliques, repliques, tripliques, quadrupliques" (F); repliek, antwoord op het antwoord van de tegenpartij (N).
Rolle (F) : rolle (Mnl) : eertijds, een of meerdere bladen perkament, papier, enz... met de uiteinden aan elkander gehecht, waarop men akten, rekeningen schreef (N).
Roture (F) : niet adellijke bezitting.
Roturier (F) : niet adellijk persoon, burgerlijk man, burgerman, boer.

S

Saet (Mnl) : zaad, nakroost, ook van één nakomeling (N).
Saet (Mnl) : woning, verblijfplaats, kasteel, bezitting (N).
Sainteurs, les (F) : vrije boeren die zich, in de vroege middeleeuwen, onder de hoede stelden van kerk of klooster (N).
Sale (Mnl) : herenhuis, huis van de heer, waarschijnlijk ook vergaderzaal van de schepenen, woning der aanzienlijken (N).
Samenlovenisse (Mnl) : trouwbelofte, verloving (N).
Scheiding van tafel en bed : het huwelijk is niet ontbonden, maar de echtgenoten behoeven niet meer samen te wonen.
Scheiding van goederen : het huwelijk is niet ontbonden, het samenwonen blijft bestaan; enkel de vermogensrechterlijke betrekkingen tussen de echtgenoten of huwelijksgemeenschap zijn ontbonden.
Scherpe examinatie (Mnl) : verhoor op de pijnbank (N).
Schoofcijns : recht der heren om een zekere hoeveelheid schoven van de hun cijnsbare akkers te heffen.
Schoofland : tiendland waarvan de zesde schoof nog boven de tiende wordt betaald (Nederland).
Schoondochter : behuwddochter, vrouw van iemands zoon; Schwiegertochter (D); bru, belle-fille (F); daughter-in-law (E).
Schoonheere (Mnl) : grootvader.
Schoonouders : behuwdouders, ouders van de man of van de vrouw; Schwiegereltern (D); beaux-parents (F); parents-in-law (E).
Schoonvader : stiefvader, man met wie iemands moeder hertrouwd is.
Schoonvrouwe (Mnl) : grootmoeder.
Schoonzoon : behuwdzoon, man van iemands dochter; Schwiegersohn (D), Eidam (D); gendre, beau-fils (F); son-in-law (E).
Schoonzuster : behuwdzuster, zuster van de man of de vrouw, de vrouw van iemands broeder; Schwägerin (D) : belle-soeur (F), sister-inlaw (E).
Schout (N) : een rechtstreekse vertegenwoordiger van de heer der heerlijkheid, rechterlijk ambtenaar, die in civiele zaken rechtsprak (N); écoutète (F); Schultheiss, Dorfvorsteher und Richte um Dorfgericht (Bauernding), Verwalter der niederen Gerichtsbarkeit (D); bailiff (E).
Schouteteboete (Mnl) : boete aan de schout te voldoen.
Schoutetenbrief (Mnl) : akte van een voor de schout geschiede rechtshandeling (N).
Schoutetendiener (Mnl) = schoutencnape = schoutetecnecht (Mnl) : gerechtsdienaar (N).
Schoutetinne (Mnl) = schoutinne (Mnl) : schoutin (N), vrouw van een schout (N).
Schwertleite (D) : zum Ritter schlagen (D); ridderlsag, opneming van de schildknaap in de ridderstand (N); accolade, recevoir l'accolade (F); accolade, bedubbed a knight (E); abbracciata (It) "le nom d'une des principales cérémonies de l'ancienne chevalerie; il consistait ordinairement en trois coups de plat d'épée que le seigneur donnait sur l'épaule ou sur le cou de celui qu'il armait chevalier"; espaldarazo, acolada (Sp).
Sénéchaussée (F) : rechtsgebied van een seneschalk, rechtbank van een seneschalk (N).
Servituut : erfdienstbaarheid, last waarmee een erf is bezwaard ten dienste van een ander erf; servituut op een doorgang: servitude de passage (F).
Sibbe (Mnl) = zibbe = zebbe (Mnl); de familie, verwanten of familieleden, als verzamelwoord : "sibbe ende namaeghe", geslacht, afkomst, "van zynre sibbe ben ic comen", familiebetrekking, "eene sibbe tellen" = een stamboom opmaken, de graad van verwantschap berekenen (N); clan (F); die Sippe (D); clan (E).
Sibbecheit (Mnl) = sibbeheit = sibbinge (Mnl) : bloedverwantschap, verwantschap, overeenkomst in aard, verschijnselen, enz... (N).
Sibbedag (N) : (jaarlijkse) bijeenkomst van familieleden en naamgenoten; der Sippentag (D).
Sibbedeel (Mnl) : verwantschapsgraad (N).
Sibbekunde (N) = Familiekunde = genealogie (N); Généalogie (F); die Sippenkunde (D).
Sibbemaech (Mnl) = sibbevrient (Mnl) : bloedverwant (N).
Sibber (Mnl) : nader familie (N).
Sibbesten, die (Mnl) : de naaste familieleden (N).
Sibbetafel (N) : parenteel, waar ook de afstammelingen in de vrouwelijke lijn zijn opgenomen en die dus alle nakomelingen van de stamvader omvat (N); Sippschaftstafel (D).
Sibbetale (Mnl) = zibbetale, sibtale, sibtael (Mnl) : graad van bloedverwantschap (N).
Sibbling (E) : broer of zuster
Sideval = zideval (Mnl) : zijlinie, het komen van een erfgoed aan een zijlinie (N).
Silhouettenkunst (N) : genaamd naar de naam van de uitvinder; vele families bewaren nog zulke portretten, zelfs van zeer recente datum, deze laatste zijn evenwel te beschouwen als knipkunst met de schaar, het duitse Schereschnitt. Schaduwomtrek, schaduwbeeld, silhouet, silhouette (N); silhouette (F) : dessin qui représente un profil tracé autour de l'ombre d'un visage (F); Schattenbild, Schattenriss, Schattenzeichnung (D); silhouette (E); Schattenreisser (D) : silhouettenmaker (N).
Sincklyck : een lijk dat bijgezet moet worden, bv. in de kerk.
Sippenamt (D) : genealogisch bureau (N); office généalogique (F).
Sippenforschung (D) : genealogisch onderzoek (N); recherche généalogique (F).
Sippenhaft (D) : in arrest, in hechtenis zijn van de familie (van politieke tegenstander) (N).
Sippenlade (D) : familiearhcief (N).
Sippenstolz (D) : familietrots (N).
Sippenüberlieferung (D) : familietraditie (N).
Sippschaftstafel (D) : sibbetafel (N) "zur Sippe eines menschen gehören alle seine Verwandten, also nicht nur die "agnatischen" sondern auch die "kognatisch" d.h. in weiblicher Linie".
Slapende tiend : wanneer een stuk tiendplichtig bouwland niet met tienplichtig gewas werd bebouwd of braak lag, dan kon het tiendrecht niet worden uitgeoefend, het sliep dan.
Smalle tiend of Kleine tiend : hovernierstiend; menues dîmes (F) "celles qui se levaient sur les menues grains et sur le menues bétail".
Speelkinderen : kinderen van een ongehuwd paar.
Spillemaag : verwant in vrouwelijke linie. Spille en spinrok zijn symbolen van de vrouw. Spindelmagen (D); cognat (F).
Splete (Mnl) : deel van een leen d.i. uit een leen gespleten (N).
Stadskind : prodigus (L), persoon aan wie het beheer van zijn goederen gerechtelijk ontnomen is.
Statsvriheit (Mnl) : stadsvrijheid: het grondgebied, van een stad buiten de poorten, waar de stadsvoorrechten en vrijheden gelden (N).
Sterftetabellen (N) : tables de mortalité (F).
St. = sint, heilig (N); sanctus (L).
Stiefdochter : kind uit een vroeger huwelijk van een der echtgenoten; demi-fille (F), belle-fille (F), fille d'un autre lit (F); stepdaughter (E); Stieftochter (D).
Stockgoet (Mnl) : familiegoed (N), stamgoed (N).
Stragiersgoed (W.Vl.) : goederen die niet opgevorderd worden, desolate boedel - stragier : étranger (F), vreemdeling.
Stroncken (Mnl) : staken van een geslacht : "dat ghepaert ende gedeylt sullen worden, minnelyck ende vredelyck by alle syne broeders ende susters in stroncken naer der stadt recht (Antwerpen) ... oft by faulte van hen, henne descendenten ... (1584)".
Styfvader : stiefvader, man met wie iemands moeder hertrouwd is.
Supposition de nom (F) : aangifte onder een gefingeerde naam (N).
Supposition de personne (F) : aangifte van een verdichte persoonlijkheid (N).

T

Taille réelle (F) : "celle qui se levait sur les terres et les possessions taillables"; grondbelasting (N).
Taille personnelle (F) : "celle qui se levait sur chaque personne taillable"; hoofdgeld (N).
Taille (F) : "imposition qu'on levait sur les personnes", "ce mot de taille venait de l'usage des collecteurs, de marquer sur une petite taille de bois ce que les contribuables avait donné"; belasting aangetekend op de kerfstok.
Tailler (F) : omslag, ommeslaan, verdelen, belasting leggen op het volk (N).
Tante : vaders- of moederszuster.
Taux (F) : belasting (N) : "somme à laquelle une personne est taxée pour ses impositions" (F); die Taxe (D) : rate (E).
Tauxatie (N) : aanslag (belasting) taxatie (N); taxation (F); die veranschlagung, der Taxation (D); valuation, appraisement (E).
Taxe de main morte (F) : belasting op goederen in de dode hand (belasting die de overgangsrechten vervangt).
Terre titrée (F) : landgoed met een titel verbonden (N).
Testament obtenu par captation : c'est à dire de flatteries et mauvais artifices (F); Testament bekomen door vleierij en arglist (N).
Thermidor (F) : hete maand (jul-aug)
Tiend : gedeelte van de opbrengst van de oogst dat aan de kerk of de heer moest afgedragen worden, het bedroeg gewoonlijk een tiende.
Tiendgebied : gebied waarvan de tiend aan een zelfde tiendheer moet betaald worden; Dîmerie (F).
Tiendrecht : het recht tiende te heffen; Dîmée (F).
Titre (F) : oorkonde, diploma, stuk, akte brief, titel, bewijsstuk (N).
Titrer (F) : een titel geven aan iemand, een adellijke titel verlenen aan iemand (N).
Titrier (Oud F) : bewaarder der kloosteroorkonden; soms maker van valse oorkonden (N).
Tomber en déshérence (F) : erfenis aan de staat of de landsheer vervallen (N).
Triplique (F) : "op duplicque volgt triplicque, competerende den eysscher"; derde verweerschrift (N).
Trisaïeul, trisaïeule (F) : le père, la mère du bisaïeul, ou dela bisaïeule (F); abavus, abavia (L); betovergrootvader, betovergrootmoeder (N); Ururgrossvater, Ururgrossmutter (D); great-great-grandfather, great-great-grand-mother (E); trisavolo, trisavola, arcavolo, arcovola, terzavola, terzavola, terzaro, terzara (It); tatarabuelo, tatarabuela (Sp).
Turbe (Mnl) : onderzoek naar het gewoonterecht, waarbij het getuigenis van een aantal personen te gelijk werd verhoord, later werd het aantal getuigen beperkt tot een paar terzake bevoegde personen (N); enquête par tourbes, information judiciaire sur des points douteux des coutumes et
sur des usages qui n'étaient pas rédigés par écrît (F).
Tweeling : twee tegelijk geboren kinderen. Tweelingbroeder, -dochter, -zoon, -zuster; Zwillingen (D); jumeau (man), jumelle (vrouw) (F); twins, geminy (E).

U

Uitstervende linie : die geen erfgenamen meer heeft (N); ligne défaillante, ligne qui n'a plus d'héritiers (F).
Uradel (D) : oeradel, aloude adel.
Urahn (D) : overgrootvader, stamvader.
Urahne (D), Urahnfrau (D) : overgrootmoeder, stammoeder.
Urahnen (D) : voorvaderen, voorouders.
Urmutter (D) : allereerste moeder.
Urstamm (D) : oerstam, oorspronkelijke stam.
Ururenkel (D) : achterachterkleinkind.
Ururgrossmutter (D) : betovergrootmoeder.
Urvader (D) : oervader, stamvader.
Utebliven (Mnl) : niet mededelen aan een erfenis.
Uterinebroeder, -zuster : halfbroeder, halfzuster, kinderen van dezelfde moeder maar niet van dezelfde vader.
Uururgrossvater (D) : betovergrootvader.
Uutbodinge (Mnl) : oproep, openlijke bekendmaking dat men tot gerechtelijke verkoop zal overgaan.
Uutgeboren (Mnl) : buiten (een stad, een land) geboren.
Uutgoedinge (Mnl) : als uitkering der erfenis aan het kind bij het leven der ouders.
Uutvronen (Mnl) : de vrije eigendom door vonnis ontzeggen.
Uytboedelen (Mnl) : uitkering doen uit de boedel aan een kind, b.v. aan een dochter die gaat trouwen.
Uytcoop (Mnl) : uitkoop, het behouden van een boedel, door deelgenoten uit te kopen, bv. een vader koopt van zijn kinderen het aan hen toekomende deel uit de nalatenschap van de overleden moeder.

V

Vader (N) : man die kinderen verwekt heeft (N); pater (L); père (F); Vater (D); father (E); padre (It); padre (Sp).
Vaderen : voorvaderen.
Vavasserie = arrière fief = fief mouvant = fief servant (F); achterleen (N); das Afterlehen (D); subfief, mesne fief (E).
Veiling (N) : bij opbod verkopen,in veiling brengen (N); encan, vente publique, vendre à l'encan, mettre à l'encan (F).
Vendémiaire (F) : wijnmaand (septoct)
Ventôse (F) : windmaand (feb-maa)
Verhef van leen : een recht dat de leenman betaalde aan zijn leenheer bij sommige mutaties, bv. bij overdracht van eigendom; relief (F) "en jurisprudence féodale, droit que le vassal payait à son signeur, lors de certaines mutations, ainsi dit parce que le vassal, par ce droit relevait le fief".
Verpachten : in huur geven; donner à ferme (F).
Verwant (N) : vermaagschapt (N); apparenté à (F), parent de (F); Verwandt (D) "er ist mit mir verwandt" (D); allied (E), related (E), kindred (E), congenial (E). Verwante (N), familie (N); parent, parente, personne alliée (F); Verwandt (D); kinsman, kinswoman (E); parentela (Sp).
Verwantschap (N) : parenté, alliance, apparentage (F); Verwandtschaft (D); kinship (E); parentesco (Sp).
Verwantschapsband (N) : parentage (F); das verwandtschaftsband (D); ties of blood (E), family ties (E).
Verweerster of verwerdersse (Mnl) : beklaagde of gedaagde (vrouw) in rechte.
Verwerver (Mnl) : verweerder; gedaagde; hij, tegenover wie een rechterlijke eis wordt ingesteld.
Verzwageren : door huwelijk zwager worden.
Vidimus (N) : gelegaliseerd afschrift van een oorkonde (N); vidimus (F) : mention qui indiquait du'un acte avait été collationné sur l'original (F).
Vinder van de lenen (N) : lid van een leenhof belast met het opsporen van overtredingen van het leenrecht (N).
Viscount (E) : burggraaf (N), vicomte (F); der Burggraf (D).
Vogelvrijverklaring (N) : buiten bescherming van de wet verklaard en bloot gesteld aan ieders vervolging, verbannen, proscriptie (N); proscription (F) : condamnation à mort sans formes judiciaires et qui pouvait être exécutée par le premier venu (F); die Ächtung (D); bill of outlaw (E).
Vogelvrijverklaren (N) : verbannen (N); proscrire (F); Vogelfrei (D); outlawed, outlaw a person (E).
Vogelvrijverklaarde (N) : banneling (N); proscrit (F); Vogelfreier, Geächteter, Friedloser (D); outlaw (E).
Volcheet, volge eet (Mnl) : volgeed, de eed der eedhelpers of eedvolgers, waardoor de waarheid van de eed van de hoofdpersoon bevestigd wordt (N).
Volle nicht : cousine germaine (F).
Voogd paterneel : vooght a patro, voogd van vaderszijde.
Voogd materneel : vooght a matro, voogd van moederszijde.
Voogd : zie momboor.
Voorbaren (Mnl) : voorboren, volle neef.
Voorgeslacht : al degenen die vóór ons geweest zijn of gewoond hebben in het land, waar wij leven; in engere zin ook gebruikt als synoniem van voorouders.
Voorkind : kind uit een eerste (of vorig) huwelijk.
Voorouders : al degenen van wie het thans levende geslacht afstamt.
Voorvader : voorzaat, "outvorder", outvoirvader"
Voorvader : ancêtre (F), aïeul (F); Vorfahr (D); forefather, ancestor (E), progenitor (E).
Voorvaderen : synoniem van voorouders en voorgeslacht; ancêtres (F); Vorfahren, Voreltern, Urahnen (D); forbears (E).
Voorvaderlijke tijden : van oudsher = von Uhrväterzeiten her (D).
Voorvaderlijk : ancestral (F); urväterlich, altväterlich, vorelterlich (D); ancestral (E).
Vorebedde (Mnl) : kinderen uit "den voorbedde" zijn kinderen verwerkt tijdens een vorig huwelijk.
Voreman = voorman (Mnl) : vroegere of vorige echtgenoot (N).
Vrijgoed (N) : allodium (L) : is volle uitsluitende eigendom van bezitter, zonder enige leenplicht (N).
Vrijheer : baron, baronet (zoon van een baron); baron (F); Baron, Freiherr, Baronet (D); baron (E).
Vrijvrouw : barones, dochter van een baron; baronne (F); Baronin, Freifrau, Baronesse, Freifräulein, Freiin (D); baroness (E).
Vrimeester (Mnl) : hij die in een gild de bevoegdheid heeft verkregen om het ambacht zelfstandig uit te oefenen (N).
Vroedvrouw : verloskundige. In nood doopt zij het pasgeboren kind, deze handeling is in het doopregister vermeld; Hebamme (D); Sagefemme, accoucheuse (F); midwife (E).
Vronen (Mnl) : in beslag nemen, iemand in arrest nemen, executeren, uitwinnen, de vrije eigendom bij rechterlijke uitspraak toewijzen.
Vroonleen of Vroongoed : terre corvéable (F).
Vroonte = vruente = vroonde (Mnl) : herenland, domeingoed, onverdeelde gemeentegrond (N).
Vrouwemenschen (Mnl) : vrouwmens, vrouwspersoon, mens, meisje (N); Frauenzimmer (D); women, female (E).
Vrouwencunne = vrouwenconne (Mnl) : vrouwelijk geslacht, verwanten der gehuwde vrouw (N).
Vrouwenhater (N) : misogyne (F); Frauenfeind, Weiberfeind (D); womanhater, misogynist (E).
Vrouwenleen : fief féminin (F).
Vruchtgebruiker (N) : ususfruitier (F); Nutzniesser, Niessbraucher (D); usufructuary, tenant for life (E). Vruchtgebruikster (N); ususfruitière (F).
Vruchtgebruik (N) : lijftocht, in het oude erfrecht is voorzien dat de weduwnaar of de weduwe het vruchtgebruik houdt van de eenmaal gemeenzaam bezeten huwelijksgoederen (N); Ususfructus (L); usufruit, usage, jouissance (F); der Niessbrauch, die Nutzniessung, die Niessbrauch von etwas haben (D); usufruct, hold in usufruct (E).

W

Waerder (Mnl) : bewaarder, bewaker, wachter; steenwaarder van gevangenis (N).
Waerheitslieden (Mnl) : de mannen aan wie het instellen van een enquête of gerechtelijk onderzoek is opgedragen (N).
Wagenmaker, radermaker, velgenmaker (N); charron (F); Felgenhauer, Felger, Radmacher, Wagen- bauer, Stellmacher (D); coachbuilder (E).
Wandelcoop (Mnl) : een heerlijk recht, te betalen wanneer een eigendom bij contract op een ander overgaat (N).
Wapen (N) : blazoen, onderscheidingsteken, dat uit een met figuren bedekt schild bestaat (N); armes, armoiries, écusson, blason (F); das Wappen (D); coat of arms (E); arme, impresa, e insegna di famiglia, o di popolo (It); armas (Sp).
Wapenbalk (N) : balk in een wapen (N); fasce (F) " een balk in 't wapen voeren; porter une barre de bâtardise"; der Wappenbalken (D); fesse (E); faas of dwarsbalk (N).
Wapenbeeld (N) : beeld als onderscheidingsteken in een wapen (N); emblème (F); Wappenbild (D); heraldic figure (E); emblema (It).
Wapenboek (N) : boek waarin de wapens der geslachten opgetekend staan (N); armorial; livre contenant les armoiries des familles (F); das Wappenbuch (D); armorial (E); raccolta d'armi gentilizie (It).
Wapenbord (N) : schild waarop een wapen geschilderd is, rouwbord (N); écu "panonceau; écusson d'armoiries mis sur une affiche, pour y donner plus d'autorité, ou sur un poteau, pour marque de Juridiction" (F); das Wappenschild (D); scudo (It).
Wapenbrief (N) : brief van een vorst of regering waarin iemand een wapen gegeven wordt (N); lettre armoriale (F); der Wappenbrief (D).
Wapenheraut (N) : héraut d'armes (F); der Wappenherold (D); herald at arms (E).
Wapenkoning (N) : heraut (D); roi d'armes (F); der Wappenkönig, der Wappenherold. der Griesswart, der Wappenwärtel (D).
Wapenkunde (N) : heraldiek, kennis van het ontstaan, het breken (briseren) en in geijkte termen beschrijven der wapenschilden (N); blason, héraldique, héraldisme (F); die Wappenkunde, die Heraldik (D); heraldry, armory, blazonry (E); araldica (It).
Wapenkundige (N) : wapenschildkenner, wapenschildkundige bedreven in de heraldiek (N); héraldiste versé dans le blason (F); der Wappenkundiger, der Heraldiker (D); heraldist, armorist (E); armoriste; colui che sa l'araldica, scrittore, maestro d'araldica (It) = celui qui sait le balson, qui l'enseigne, qui l'écrit (F).
Wapenring (N) : ring met een geslachtswapen (N); der Wappenring (D).
Wapenschild (N) : bord waarop een adellijk wapen is geschilderd, blazoen (N); écusson, blason (F); stemma, scudo gentilizio (It); escudo (Sp).
Wapenschilder (N) : iemand die een wapen, een blazoen kan schilderen (N); armoriste (F); der Wappenmaler (D); heraldic painter (E).
Wapensnijder (N) : graveur van familiewapens, op metaal enz... (N); armoriste (F); der Wappen- schneider (D); heraldic engraver (E).
Wapenspreuk (N) : devies (N); devise (F); der Wappenspruch (D); device, motto (E).
Wapenstuk (N) : naam voor alle figuren die op het schild voorkomen (N) : meuble héraldique, meuble d'armoiries (F).
Wapenveinster (Mnl) : wapenvenster, glasvenster met een geslachtswapen er in (N).
Wapenveld (N) : oppervlakte van een schil (N); champ, surface de l'écu (F); das Wappenfeld (D); field of an escutcheon (E).
Wappenamt (D) : bureau voor heraldiek (N).
Wappenhalter (D) : schildhouder, schilddrager (N) : tenant, support (F); supporter (E).
Weddingknot (E) : huwelijksband (N); verenigd door de huwelijksband (N); unis par les noeuds du mariage (F); joined by the bonds of wedlock (E).
Wedeme = wehme = weem (Mnl) : is een aan de kerk geschonken goed of heem, een dotatie aan klooster of kerk. Zou de oude naam van pastorie zijn (N).
Wedeme = wedem = wedom = weeme (Mnl) : hetgeen de bruidegom bij het huwelijk aan de bruid in eigendom geeft, bruidschat (N).
Wedemebrief (Mnl) : brief of akte waarin aan een vrouw een bruidschat wordt toegekend (N).
Wederstoc (Mnl) : de tweede van een paar overeenkomstige kerfstokken (N).
Wedlock (E) : huwelijk (N); mariage (F).
Weduwestoel (Mnl) : bezit waarop de inkomsten van een weduwe stoelen, gegrondvest zijn (N).
Weerbare mannen (N) : lijsten van mannen die geschikt waren om krijgsdienst te doen (N); listes des hommes valides, utiles à la guerre (F); Mannzahlregister, verzeichnis der Wehrfähigen Männer eines Bezirks (D); list of man capable of bearing arms (E).
Weergelt (Mnl) : geld als zoengeld betaald tot boete voor een manslag aan de magen van een verslagene (N); réparation du préjudice (F).
Wees, halve wees (N) : kind van wie een der ouders overleden is (N); orphelin de père (F); vaderloze wees (N), orphelin de mère (F); moederloze wees (N), Halbwaise (D); orphan (E).
Wees, volle wees (N) : hele wees, ouderloze wees, kind wiens beide ouders overleden zijn (N); orphelin de père et de mère (F); Vollwaise (D); Doppelwaise (D); orphan (E).
Weescamere (Mnl) : weesmeesterskamer waar ale stukken en bescheiden betreffende de weeskinderen bewaard worden, en waar de weesmeesters vergaderen, zij vormen een college van gedelegeerden of gemachtigde rechters, die in de plaats van de gewone rechter, kennis nemen van de zaken betreffende de wezen (N).
Weesjongen (N) : orphelin (F); der Waisenknabe (D); orphan-boy (E); huérfano (Sp).
Weeskind (N) : kind waarvan één of de beide ouders overleden zijn (N); orphelin (F); pupille de l'orphelinat (F); das Waisenkind (D), die Waise (D); orphan (E).
Weesmeester = wesenmeester (Mnl) : lid van de Weeskamer, die oppervoogdij heeft over de wezen en hun belangen behartigt (N).
Weesmeisje (N) : orpheline (F); das Waisenmädchen (D); orphan girl (E); huérfana (Sp).
Weesmoeder (N) : wezenhuismoeder (N); directrice d'orphelinat (F); die Waisenmutter, Waisen- hausdirektorin (D); matron of an orphanhouse (E); directora de un orfanatorio (Sp).
Weesvader (N) : wezenhuisvader (N); directeur d'orphelinat (F); der Waisenvater, Waisen- hausdirektor (D); master of an orphan house (E).
Werdinge = waerdinge (Mnl) : waardering, waarde schatten (N).
Werpenisse = werpinge (Mnl) : het wegwerpen van een halm ten teken dat men afstand doet van iets, bv. bij verkoop van gronden (N).
Wezenhuis (N) : weeshuis (N); orphelinat (F); das Wasienhaus, die Waisenanstalt (D); orphanhouse, orphenage (E); casa de huérfanos (Sp), orfanato (Sp), orfanatorio (Sp).
Wijkmeesters (N) : de pointers of zetters (ook genaamd wijkmeesters) verdeelden de gemeente in wijken voor het zetten der belasting (N).
Wijsvrouw : vroedvrouw (vroed =wijs, vandaar: wijzevrouw)
Wiser (Mnl) : rechter, wijzer (N).
Wittebroodskind (N) : moederskind, bedorven kind (N); fils de famille, enfant gaté (F); das Mutterkind, das verhätschelte oder verzärtelte Kind (D); sunday child (E). De volksvoeding was destijds het roggebrood, soms legde men op een roggeboterham een snede wit brood, dat duurder was. (N)
Wittebroodsweken (N) : de maand na het huwelijk, huwelijksreis (N); lune de miel (F); Flitterwochen, der Honigmond (D); honey moon (E) zou genoemd zijn naar de gewoonte der Teutonen dertig dagen na het huwelijk honing-wijn te drinken (N).
Wivekyn (Mnl) : verkleinwoord van wijf, troetelnaam, wijfje, wijfken, wijfjelief (N); fermelette (F); das Frauchen, das Weibchen (D); little wife, wifey (E).
Wllich pant (Mnl) : pand door de schuldenaar vrijwillig aan de schuldeiser gegeven (N).
Woekerare = woekenaer (Mnl) : hij die geld uitleent tegen rente of enig voordeel (wat in de middeleeuwen door de kerk als niet geoorloofd werd beschouwd) (N).
Woekergelt (Mnl) : bij een wisselaar geleend geld, waarvoor rente moet worden betaald (N).
Wondebrief (Mnl) : papier met een bezweringsformule om ziekten te genezen.
Wyfsgeboort (Mnl) : vrouwelijke nakomeling (N).
Wyfwaerheit (Mnl) : woord van eer, door een vrouw verpand (N).
Wynambacht (Mnl) : het gilde der wijnkopers (N).
Wyncoop en waerbier (Mnl) : lycoop (Mnl) : gegeven bij een gerechtelijke eigendoms overdracht, een dronk wijn en bier (N).
Wysdom (Mnl) : uitspraak, vonnis, gewijsde (N).
Wysmoeder = wysvrouwe (Mnl) : vroedvrouw (N).

X

Xber : december (10= decem (L)

Z

Zetschipper (N) : een schipper die vaart voor rekening van de eigenaar van het schip (N); Setzschiffer, Schiffsführer für Fremde Rechnung (D).
Zielental (N) : het aantal inwoners (N); nombre d'habitants (F); die Seelenzahl, die Einwoherzahl (D); number of inhabitants (E).
Zijde (N) : van moeders zijde (N); du côté de la mère, utérin, maternel (F); van vaders zijde (N): du côté du père, consanguin, paternel (F).
Zijlijn (N) : zijlinie, zijdelings (N); ligne collatéral, collatéral (verwant) (F).
Zijmaag : verwant in de zijlinie.
Zijtak (N) : branche latéral, branche collatéral (F).
Zondagskind (N) : "kind dat op zondag geboren is en volgens het bijgeloof geesten kon zien", gelukskind (N); être né un dimanche (F); Sontagskind (D); sunday child (E).
Zoogbroeder : die met anderen door dezelfde vrouw gezoogd werd; frère de lait (F), der Milchbruder (D), foste-brother (E); zoogbroeders voelden zich soms verwant met elkander.
Zoogkind : kind dat bij een min besteed is: mettre un enfant en nourrice (F); das Ammenkind (D), nurse-child (E).
Zoogkind: een kind dat zuigt, enfant à la mamelle (F), enfant au sein (F), der Säugling (D), suckling (E), nursling (E).
Zoogster : zoogvrouw, vrouw die iemands kind met hare melk voedt, min of minne; nourrice (F), femme qui allaite l'enfant d'une autre (F), die (Säug)amme (D), nurse (E), wet nurse (Canada).
Zoogzuster : soeur de lait (F), foster-sister (E).
Zoon (N) : filius (L); fils (F); Sohn (D); son (E); figlio, figliuolo (It); hijo (Sp).
Zwaardleen : fief masculin (F).
Zwaardmaag : agnat (F).
Zwaardmaagschap : agnation (F).
Zwaardzijde : côté paternel (F).
Zwager : schoonbroeder, behuwd broeder, broeder van iemands echtgenoot of echtgenote; Schwager (D); beau-frère (F); brotherin-law (E).
Zwagerin : schoonzuster; Schwiegerschwester (D); belle-soeur (F); sister-in-law (E).
Zwart goed : een eigendom, die tijdens de franse bezetting aan kerk of klooster ontroofd is geweest;
de aangeslagen goederen werden eerst aan de Nationale Domeinen toegevoegd en daarna openbaar verkocht.
Zweervader : schoonvader, behuwd vader; Schwiegervater (D); beaupère (F); father-in-law (E).