Colofon | ContactEN | FR

Numismatiek

Numismatiek (muntkunde) is de studie van (de geschiedenis van) geld, zowel munten als papiergeld.

Net zoals er in het verleden in de Zuidelijke Nederlanden verschillende lengte- en oppervlaktematen circuleerden, die verschilden per regio, waren ook de muntwaarden en de muntverhoudingen regionaal verschillend.

Algemeen gesteld kan men deze muntwaardentabel gebruiken voor de Zuidelijke Nederlanden:

  • 1 pond, livre (lb) = 20 schellingen, sous (s) = 240 penningen, deniers (d)
  • 1 schelling = 12 penningen
  • 1 gulden, florin (f) = 20 stuivers, patards (st)
     

Oude munten en muntstelsels: overzicht

1. De gulden en het pond tot 1795

Tot 1795 zijn er in de Lage Landen heel wat verschillende muntstelsels in voege geweest. Dit was vooral het gevolg van de talloze oorlogen en bezettingen door vreemde heersers.

De meest gebruikte munten tijdens de periode 1650 - 1795 en ook nog een tijd daarna waren:

  • de gulden, waarbij
    • 1 gulden, florin (fl) = 20 stuivers (afgekort als st.)
    • 1 stuiver, patard = 4 oorden (afgekort als o.)
  • het pond grooten Brabants, waarbij
    • 1 pond, livre (lb) = 20 schellingen (sols of sous)
    • 1 schelling = 12 penningen, deniers

In historische teksten werden geldbedragen meestal afgekort, waarbij bijvoorbeeld zowel 2 gulden, 10 stuivers en 3 oorden als 2 ponden, 10 schellingen en 3 penningen afgekort werden tot 2 - 10 - 3 of tot 2 = 10 = 3.

De gulden

De florijn was de eerste belangrijke gouden munt sinds de Karolingische tijd. Deze werd voor het eerst in 1252 in Florence geslagen, vandaar de naam florijn. In de Nederlanden werd deze munt voor het eerst geslagen tijdens het bewind van hertog Jan III van Brabant (omstreeks 1330). Omdat deze munt in goud was, kreeg hij de naam gulden.

Onder leiding van de Bourgondische hertogen vindt in 1434 in de Nederlanden een munthervorming plaats. De standaardmunt wordt dan de Bourgondische groot. De munt van twee groten krijgt de naam stuiver.

De waarde van de Rijnsgulden wordt in 1466 vastgesteld op twintig stuivers. Deze gulden wordt langzamerhand de rekeneenheid. Groten worden na 1496 niet meer geslagen. Vanaf dan wordt de standaardmunt de stuiver.

De gouden Carolusgulden ontstond in 1517 ten tijde van keizer Karel V en werd naar hem genoemd. In 1543 werd hij vervangen door de zilveren Carolusgulden, die dezelfde waarde had, namelijk 20 stuivers. Later werden nog Carolusmunten gemunt onder andere door Karel I van Engeland (koning van 1625-1649), Karel III van Spanje (koning van 1759-1788) en Karel IV van Spanje (koning van 1788-1808).

Ook andere vorsten en heersende edellieden voerden hun eigen gulden in. In 1795 werd de gulden in onze streken door de Franse bezetter vervangen door de Franse frank (zie verder). In Nederland daarentegen bleef de gulden de nationale munt tot deze door de euro werd vervangen.

Het Vlaamse en Brabantse pond

In Brabant was het pond grooten Brabants in omloop, in Vlaanderen was dit het pond grooten Vlaams.

Het pond grooten Vlaams - ook Vlaamse pond genoemd - is als veelvoud ontstaan van de groot, een munt die in Vlaanderen geslagen werd van omstreeks 1350 tot omstreeks 1500.

Het Vlaamse pond was zelf onderverdeeld in

  • 1 Vlaams pond = 20 schellingen of 240 groten
  • 1 schelling = 12 groten

In 1433-1434 werd door Filips de Goede een monetaire unificatie doorgevoerde waarbij de verhouding tussen het Vlaamse en Brabantse pond werd vastgelegd op

  • 2 ponden groten Vlaams = 3 ponden groten Brabants

Daar de verhouding tussen pond groten Vlaams en de gulden neerkwam op 1 pond groten Vlaams = 6 gulden was dan ook 1 pond groten Brabants = 4 gulden.

Omdat 240 groten evenveel was als een Vlaams pond en de gulden, die uit 20 stuivers bestond, 1/6 hiervan waard was of 40 groten, was de stuiver gelijk aan 2 groten.

Het pond grooten Vlaams is in een groot deel van Vlaanderen in gebruik gebleven tot ca. 1795. In de rest van Vlaanderen en in Brabant was dit het pond grooten Brabants.

In de andere streken waren ook andere ponden in gebruik zoals:

  • het pond artois, dat volgens abt Beda Regaus van de abdij Affligem door deze abdij van 1619 tot aan de onteigening door de Fransen in 1796 gebruikt werd voor de aanrekening van de pachtgelden.
  • het pond parisis (Parijse pond).
  • het pond tournois (Doornikse of Franse pond).

Waardeverhouding tussen de verschillende ponden en de gulden in het verleden

 

pond groten
Vlaams

pond parisis (Parijs pond)

pond grooten Brabants

pond artois
of gulden

pond tournois
(Frans pond)

pond grotenVlaams

1

12

1,5

6

7,5

pond parisis

1/12

1

1/8

1/2

5/8

pond groten Brabants

2/3

8

1

4

5

pond artois
of gulden

1/6

2

1/4

1

5/4

pond tournois

2/15

8/5

1/5

4/5

1

Dit betekent dus dat:

  • 1 pond grooten vlaams
    • = 12 pond parisis
    • = 1,5 pond groten Brabants
    • = 6 pond artois
    • = 6 gulden
    • = 7,5 pond tournois
  • 1 pond parisis = 1/12 pond groten Vlaams
  • 1 pond groten Brabants = 2/3 pond groten Vlaams
  • 1 pond artois = 1 gulden = 1/6 pond groten Vlaams
  • 1 pond tournois = 2/15 pond groten Vlaams 2.

De gulden Brabants courant en de gulden wisselgeld

Vanaf 1690 werd een onderscheid gemaakt tussen

  • de gulden courant (geld dat de mensen thuis hadden en waarmee dagdagelijks gehandeld werd)
  • de gulden wisselgeld (geld waarmee leningen, aan- en verkopen van gronden en zo meer werden afgesloten

Dit onderscheid zou pas ontstaan zijn door een devaluatie in 1704. Daarna was de gedevalueerde gulden, gulden brabants courant genoemd, de algemeen gebruikte munt. De niet-gedevalueerde gulden was sedertdien gekend als de gulden wisselgeld. Deze werd ook in de internationale handel gebruikt. De Hollandse gulden bleef zijn oude waarde behouden en bleef dus gelijk aan de gulden wisselgeld.

In ieder geval was de waardeverhouding

  • 7 gulden Brabants courant = 6 gulden wisselgeld

Dit betekent dus dat:

  • 1 gulden wisselgeld = 1,167 gulden Brabants courant
  • 1 gulden Brabants courant = 0,8571 gulden wisselgeld

3. De Franse frank en de Belgische frank vanaf 1814

In 1795 werd in Vlaanderen de Franse frank als munteenheid ingevoerd, waarbij

  • 80 Franse frank = 81 Franse pond

In 1825, tijdens het Hollandse bewind, werd in Vlaanderen de van oorsprong Franse frank als betaalmiddel tijdelijk afgeschaft en vervangen door de Hollandse gulden.

In 1832, na de Belgische onafhankelijkheid werd de Belgische frank, nu afgekort tot BEF, als officiële Belgische munt erkend. De Belgische frank, nog lang ook bekend als goudfrank, kreeg dan dezelfde waarde. Deze BEF had als onderdeel de centiem, waarbij 1 BEF = 100 centiemen.

Omrekening van gulden of pond artois naar BEF (Belgische frank) en NGL (Nederlandse gulden):

  • 1 gulden of pond artois = 1,815 BEF = 0,8576 NGL

Omrekening van BEF (Belgische frank) naar NGL (Nederlandse gulden) en naar gulden of pond artois:

  • 1 BEF = 0,4725 NGL = 0,551 gulden of pond artois
  • 1 NGL = 2,1164 BEF = 1,166 gulden of pond artois

Deze waardeverhouding is gebaseerd op het zilvergehalte van de munt:

  • 1 Belgische of Franse Frank = 4,5 g zilver
  • 1 Nederlandse Gulden = 9,61 g zilver

4. De waarde van oude munten in BEF van vóór 1919

Munt Waarde in BEF vóór 1919
1 Rijnsgulden 1,60
1 Carolusgulden 1,814
1 Brabantse gulden 1,814
1 stuiver = 1/20 gulden 0,921
1 oord = 1/4 stuiver 0,023
1 plaket (plack) Brabants 0,30

De euro (vanaf 1999)

Op 1 januari 1999 werd de euro de officiële betaalmunt in België. De wisselkoers werd vastgesteld op € 1 = 40,3399 BEF.

Met dank aan Vik Verheyden